Joseph Scaliger (1540-1609) werd geboren te Agens, in de buurt van Bordeaux, als zoon van de vermaarde Julius Caesar Scaliger (1484-1548). Na een soldatenbestaan en de nodige omzwervingen had hij zich als arts in het zuiden van Frankrijk gevestigd. In 1529 was hij in het huwelijk getreden met Andietta de Roques Lobieca, een zestienjarig meisje van goede komaf. Joseph kwam ter wereld als het tiende van in totaal vijftien kinderen. Vader Scaliger vertelde zoonlief dat zij afstamden van italiaanse adel, van het geslacht della Scala uit Verona, en Scaliger heeft er zelf nooit aan getwijfeld; later is aangetoond dat het allemaal verzonnen was.1
Op elfjarige leeftijd ging Joseph naar het fameuse College de Guyenne in Bordeaux, waar onder andere ook Montaigne zijn opleiding heeft genoten. Na drie jaar verlieten Joseph en twee van zijn broers het college omdat er een epidemie was uitgebroken. Vader Scaliger nam het onderwijs over -dat bestond hoofdzakelijk uit Latijn- en toen die in 1558 overleed, ging Joseph naar Parijs om Grieks en Hebreeuws te studeren. Door zijn Griekse vertalingen van Latijnse gedichten wist hij daar de aandacht op zich te vestigen. Zijn vermogen om tekstverminkingen op het spoort te komen en gissend een correcte versie voort te brengen, bracht hem na enige tijd in de beste Parijse humanistische kringen. Daar bekeerde hij zich 1562 tot het protestantisme en trad opmerkelijk genoeg in 1563 dienst van de katholieke aristocraat, diplomaat en miitair Louis Chasteigner, seigneur d’Abain en La Roche Posay, baron van Preuilly. Op dat moment brak ook de religieuse strijd los tussen katholieken en hugenoten in Frankrijk, een strijd die met tussenpozen tot het einde van de eeuw heeft geduurd. Chasteigner de La Roche-Posay deed actief mee in het katholieke kamp, maar dat schijnt de relatie tussen de legeraanvoerder en de geleerde niet te hebben vertroebeld.
Chasteigner ging in 1565 voor twee jaar op reis naar Italië, Schotland en Engeland met Scaliger in zijn gevolg. Die stond hem terzijde bij het lezen van de klassieke Griekse en Latijnse teksten, maar er bleef genoeg tijd over om andere geleerden te ontmoeten, bibliotheken te bezoeken en de antieke monumenten te bezichtigen. Hij verbleef graag in de Joodse gemeenschappen in Mantua of Ferrara en verbaasde zijn gastheren met zijn Bijbelse hebreeuws.
Na terugkeer begon Scaliger met nieuwe tekstedities, maar de religieuse strijd laaide weer op en voor Scaliger brak er een moeilijke periode aan. Hij verloor zijn bezittingen in Agens die zijn vader hem had nagelaten en schijnt ook zelf de wapens ter hand te hebben genomen.

Toen in 1570 de religieuse storm weer tot bedaren was gekomen ging Scaliger naar Valence, zo’n 100 km ten zuiden van Lyon. Hij ging in de leer bij Jacques Cajus (1522-1590) die aan de plaatselijke universiteit doceerde. Cajus was een vermaard rechtsgeleerde die het Romeins recht aan de vergetelheid probeerde te ontrukken en antieke juridische teksten hun oude luister wilde teruggeven. Het werd voor Scaliger een vruchtbaar verblijf waarbij hij veel opstak over het Romeins recht. Nog belangrijker voor zijn ontwikkeling als filoloog was dat hij van dichtbij kon zien hoe Cajus te werk ging bij zijn historisch onderzoek naar het juridische opus van Sextus Caecilius Africanus. Cajus beschikte over een uitstekende collectie handschriften en had hij een fijngesponnen netwerk van contacten over heel Euorpa. Als er er nieuwe manuscripten opdoken of nieuwe tekstversies werden ontdekt was Cajus er meestal snel van op de hoogte. Naast Cajus die van grote invloed was op Scaliger2, leerde Scaliger hier ook Jacques Auguste de Thou kennen, historicus en later voorzitter van het parlement van Parijs; hij zou er zijn hele leven bevriend mee blijven. De Thou was één van de vertegenwoordigers van de noblesse de robe longue, de ambtsadel, waarmee Scaliger de beste persoonlijke relaties zou opbouwen.

In 1572 nam zijn leven opnieuw een andere wending. Cajus was gevraagd deel te nemen aan een diplomatieke missie om de troon van Polen voor de hertog van Anjou te winnen en hij haalde Scaliger over om mee te gaan. Samen gingen ze via Lyon op weg naar Straatsburg. Toen Scaliger in Straatsburg hoorde van het bloedige vervolg op de bruiloft van Hendrik van Navarra en Margaretha van Valois -de Bartholomeusnacht- vertrok hij spoorslags naar Geneve. Begin september werd hij burger van Geneve en eind oktober professor in de filosofie aan de academie aldaar. Scaliger bleek geen begenadigd docent en zijn hekel aan openbare colleges uitte zich voornamelijk in veel ziekmeldingen. Ondertussen ging hij wel door met zijn kritische uitgaves en commentaren op antieke teksten, waarop de invloed van Cajus’ methode steeds zichtbaarder werd. In de Ausonianae lectiones probeerde Scaliger de geografische en culturele context van het werk van deze gallische Romein aan de vergetelheid te ontrukken. Zijn eerste grote tekstkritische succes werd De verborum significatu van Festus, een zwaar verminkte, verkorte versie van het gelijkname, zeer omvangrijke, werk van Verrius Flaccus, een beroemde kenner van de latijnse taal ten tijde van Augustus. De tekstvermoedens waarmee Scaliger de tekst weer zijn oorpsronkelijke structuur had teruggegeven vonden velen origineel en adembenemend. Sommigen, waaronder Vossius, konden hun ogen bijna niet geloven en vroegen zich openlijk af of Scaliger gebruik had gemaakt van een nog onbekend manuscipt om alle gaten op te vullen.

Na een verblijf van ongeveer anderhalf jaar in Geneve keerde Scaliger terug naar Frankrijk. Hij verbleef veelal op een van de bezittingen van zijn beschermheer Chasteigner -die als ambassadeur bij de Paus zelf in Rome verbleef- in de Poitou. In 1577 verlegde Scaliger opnieuw zijn tekstkritische interesse, ditmaal in de richting van de (natuur)wetenschappen. Hij verzorgde samen met François de Saint-Vertunien, de arts van Chasteigner, een vertaling van Hippocrates’ Over hoofdwonden (en later het hele werk van Hippocrates). Dat Scaliger niet bang was dat zijn gemis aan medische kennis afbreuk zou doen aan zijn vertaling en commentaar blijkt uit een brief aan Vertunien die Grafton parafraseert.3:

The critic, he claimed, could do much to heal the wounds of a text, even if he had not been trained in the technical skills it treated: Nam sola Critice sine Anatomia rem transegerit. Anyone who ·denied Scaliger’s contentions must be ‘thick as a post’; even a mediocris grammaticus would see the validity of his diagnosis.

De doctores in de geneeskunde aan de Sorbonne in Parijs waren minder gecharmeerd van deze vertaling en Scaligers uitstapje naar de geneeskunde.4.
Maar ondanks al hun kritiek bleek dat Scaliger beschikte over een beter tekstbegrip dan de meeste professionele artsen; zijn interpretaties en reconstructies van de klassieke wetenschappelijke teksten waren gewoonweg beter dan die van de (vak)wetenschappers. Misschien aangemoedigd door dit succes kwam hij op het idee om een tekst die hij al in Geneve op het spoor was gekomen, opnieuw uit de brengen: de Astronomica van Manilius. Want wat voor artsen gold, was volgens Scaliger ook van toepassing op astrologen en wiskundigen: “Ik weet”, schreef hij in een brief, “dat er momenteel grote astrologen en mathematici zijn in Frankrijk. Maar ik weet zeker dat zij zich lang het hoofd zullen breken over de betekenis van deze moeilijke passages van Manilius.”5
In 1579 verscheen de door Scaliger sterk verbeterde Astronomica, voorzien van een uitgebreid commentaar. Het lijkt erop dat het Scaliger bij dit werk er meer om te doen was een overzicht te geven van de antieke astronomie dan om de tekst zo goed mogelijk in zijn oorspronkelijke staat terug te brengen. Grafton is van mening dat Scaliger bij deze tekstkritische uitgave op zijn best was: vindingrijk en meestal met veel aandacht voor de details van de tekst voor hem. In zijn commentaar schrok Scaliger er ook niet voor terug Manilius de les te lezen: “op grond hiervan is het meer dan duidelijk dat wat we al zo vaak hebben gezegd, waar is: Manilius had absoluut geen verstand van het onderwerp waarover hij schreef”. Maar dat belette Scaliger niet om zelf ook de nodige missers te maken. Maar het werk maakte toch zoveel indruk dat de Franse koning het een jaargeld van 2000 francs waard vond (dat naar het schijnt nooit is uitbetaald).6

Het werk dat Scaliger verrichte voor zijn Manilius paste goed in het project waarvoor hij toen voorzichtig de eerste stapjes zette en dat in 1583 zijn roem defintief zou vestigen: Opus novum de emendatione temporum. Het werk aan dit boek werd doorkruist door een onvoorziene gebeurtenis. Een jaar eerder had namelijk paus Gregorius XIII met de bul Inter gravissimas de Juliaanse kalender vervangen door een, vooral in katholieke ogen, verbeterde versie. Het denkwerk voor de nieuwe kalender was afkomstig van de napolitaan Aloisius Lilius, die in 1576 was overleden. De concrete uitwerking -o.a. om de vier jaar een schrikkeljaar- en invoering had plaatsgevonden onder leiding van de mathematicus en jezuïet Christoph Clavius en resulteerde in een regelrechte tijdverschuiving: er moesten tien dagen worden overgeslagen: vrijdag 15 oktober 1582 volgde op donderdag 4 oktober 1582; hierdoor kon de lente weer op exact 21 maart beginnen. De invoering van de kalender stuitte in protestantse kringen op veel weerstand. En Scaliger was er ook niet blij mee, want al zijn chronologische rekenwerk had hij uitgevoerd op basis van de oude Juliaanse kalener.
De inhoud van De emendatione werk is van een adembenemende omvang7:

The first four books deal with the principal calendars, ancient and modern, solar and lunar. The fifth and sixth establish the most important dates from the Creation to rather more recent times. The seventh presents texts and trans­lations of medieval Jewish, Ethiopian, and Byzantine treatises on the calendar, known as computuses. The eighth, which Scaliger introduces as the natural culmination of the rest, explains the bear­ing of Scaliger’s researches on calendar reform in his own time. Throughout Scaliger takes great pains to emphasize that he has explored and mapped an unknown territory.

Het bijzondere van De emendatione was dat Scaliger er een samensmelting in bood van afzonderlijke disciplines, een verbinding van tekstuele, astronomische en mathematische kennis, 8 Daarbij was hij er ook in geslaagd alle elementen die hij had gebruikt extra betekenis te geven door ze te plaatsen in zijn overkoepelende samenhang. Daarvoor hij kon putten uit zijn inmiddels enorme kennis over antieke bronnen, maar op dit min of meer nieuwe terrein voor hem moest hij zich veel van de technische literatuur van de computus nog eigen maken en ook zijn astromische kennis moest nog aanzienlijke worden uitgebouwd. Maar ook contemporain werk ontging Scaliger niet, zeker niet als het een bron van informatie en inzichten was die voor zijn eigen doeleinden -zonder verwijzingen- prima kon gebruiken. Zo’n werkje was Paulus Crusius’ De epochis. Het boek van deze historicus en wiskundige aan de universiteit van Jena was posthuum in 1578 verschenen. Met deze bron van informatie bij de hand schreef hij boek vijf en zes waarin de chronologie van de grote historische gebeurtenissen wordt gegeven. Dan valt meteen een verschil op met zijn voorgangers: bij Scaliger vind je nauwelijks astrologisch of numerologisch speculatie over over de zin van het geschiedverloop of wat er nog allemaal zou kunnen komen. Hij liet het bij voorkeur over aan filosofen om over de zin en het wezen van de tijd na te denken. Één van de redenen van deze voorkeur voor feiten boven speculaties zou, volgens Anthony Grafton, gelegen kunnen zijn in de chaotische omstandigheden waarin de religieuse twisten Europa hadden gestort.

His closest friends, the jurists de Thou and Dupuy, reacted to religious war and the dissolution of society by turning to honest scholarship and accurate history. In the compiling of data, rather than the forging of an ideology, they found an escape from chaos if not a way to reduce it to order.

Als Justius Lipsius de nog jonge unversiteit van Leiden in 1590 vaarwel zegt, is dat een groot verlies. Veel werken, waaronder De Constantia, had Lipsius in Leiden geschreven, waardoor zijn roem en het aanzien van de universiteit aanzienlijk waren toegenomen. Maar zijn laatste Leidense werk, Politicorum sive civilis doctrinae libri sex, waarin hij pleitte voor de confessionele uniformiteit van de staat en de plicht van de vorst de uitoefening van andere religies te onderdrukken, leverde hem zoveel kritiek op, dat hij het raadzaam achtte de universiteit te verlaten. Zijn zwakke gezondheid bood een prima aanleiding om met geheven hoofd afscheid te nemen.
Om de leeggevallen plaats op te vullen viel het oog van de leidense curatoren op Scaliger. Die verbleef in Preuilly-sur-Claise, ongeveer 80 km ten zuiden van Tours, op een van de kastelenvan de Chasternier en kon zich ongestoord en onbezorgd aan de klassieke filologie wijden. In 1593, na meerdere verzoeken te hebben afgewimpeld, stemde Scaliger in met een professoraat in Leiden op voorwaarde dat hij geen openbare colleges hoefde te geven en tegen een voor die tijd meer dan vorstelijk salaris van 1200 gulden en een jaarlijkse gratificatie van 800 gulden van de Staten9 -ook schijnt zijn claim van Vernose adel af te stammen erkend te zijn.

Bibliotheek Leiden 1610. J.C. Woudanus

Na een wat stroef begin vond Scaliger snel zijn draai in Leiden -tussen Amsterdam en Den Haag- en hij wist een selecte groep toegewijde leerlingen om zich te verzamelen, waaronder de rechtsgeleerde Hugo de Groot, de cartograaf Cluverius en de classicist Heinsius. Leiden had een uitstekende bibliotheek en in Franciscus Raphelengius, schoonzoon van Antwerpse boekdrukker en uitgever Christoffel Plantijn, een drukker van formaat. Scaliger was blijkbaar tevreden met wat de Leidse universiteit en het leven in het Noorden te bieden had, want hij droeg twee in 1594 verschenen werken, Cyclometrica Elementa duo10 en Mesolabium, op aan respectivelijk de staten van Holland, West Friesland en Zeeland en de Leidse universiteit. De werken waren prachtig uitgevoerd en in twee kleuren gedrukt. De definities en theorema’s waren gesteld in het Grieks met Latijnse vertalingen en de bewijzen waren in het Latijn. Kosten noch moeite leken bespaard om deze kroon op Scaligers werk, de prins der letteren in de woorden van Daniël Heinsius, te laten schitteren.
De ontvangst van zijn Cyclometrica Elementa duo was voor Scaliger echter een bittere teleurstelling. Opnieuw had hij zijn werkterrein uitgebreid naar een gebied waarop anderen hem een dilettant vonden, in dit geval de wiskunde. Maar anders dan bij teksuitleg en tekstverbeteringen, zijn bekende werkterrein, ging het nu niet om tekstverbeteringen of nieuwe interpretaties, maar om de oplossing van de eeuwenoude wiskundige problemen: de verdubbeling van de kubus in Mesolabium en de kwadratuur van de cirkel in de Cyclometrica. Dat hij de werken publiceerde was ook opmerkelijk omdat Scaliger al voor zijn komst naar Leiden erop gewezen was dat hij er wiskundig flink naast zat. Hij besefte blijkbaar niet dat zijn autoriteit als filoloog en chronoloog onder wiskundigen niet gold. Het commentaar op het verschenen werk was dan ook vernietigend, maar Scaliger gaf geen kriimp. Later, in lovende terugblikken, werd liever stilletjes aan deze episode voorbij gegaan. In Heinsius grafrede op Scaliger worden zijn wiskundige werken niet genoemd en in zijn uitgave, in 1626, de brieven van Scaliger had hij overal waar er sprake was van de Cyclometrica, de naam keurig vervangen door sterretjes.
Wat had zich allemaal afgespeeld en wat maakte dit werk tot zo’n wetenschappelijk echec voor iemand die kritiek gewend was?