Met de maagden komt er vaart in het epos. Zij jagen de snelheid op en jakkeren met de wagen -de as krijst in de naven en gloeit van hitte- over de weg naar hun bestemming.

6. De as in de naven liet het schrille geluid horen van een panfluit,
7. [was] gloeiend [heet].  Want voortgedreven door twee snel draaiende
8. wielen aan beide uiteinden [en] met telkens grotere haast leidden
9. de dochters van de zon (Hêliades kourai),  die de huizen van Nacht achter zich hebben gelaten
10. [op weg] naar het licht, met de hand de sluier van het hoofd duwend.
[*]

De maagden, dat weten we nu de eerste naam is gevallen, zijn de dochters van Helios, de Heliaden. Zij hebben op weg naar het licht, het huis van Nacht achter zich gelaten en hun sluiers van het hoofd getrokken -de ochtendnevels die door de zon zijn verdreven.
Phaethon.GoltziusDe Heliaden zijn de zusters van Phaethon, de stralende1 . Die beraamde met zijn zusters het plan -tegen de wil van zijn vader Helios- om één dag de zonnewagen te mennen. Zij helpen hem bij het inspannen van de paarden. Als hij op het hoogste punt van de rit aan de afdaling begint -voor Helios ook een lastig stuk-, wordt hij bang en duizelig. Hij verliest de controle over de wagen en stort neer in de in het westen gelegen rivier Euridanos. Zeus doodt hem daar met zijn bliksemschicht. De Heliaden straft hij voor hun medewerking door ze te veranderen in zwarte populieren.
Zo luidt het verhaal in de versie die van Hesiodes afkomstig is en waaraan Aeschylus zijn tragedie Heliades heeft gewijd. Het optreden van de Heliaden zal ongetwijfeld het avontuur van Phaethon bij Parmenides gehoor in herinnering hebben geroepen. De weg van de daimonos, waarover ook de phōs eidós trekt en waarover de verteller nu ook raast onder aanvoering van de Heliaden, zou dat toch niet de baan van de zon zijn?

SextusProem1_20

Manuscript van Sextus Empiricus. Op de zesde regel begint het citaat van de eerste twintig regels van het proëmium

De aanwezigheid van één komma is voor de interpretatie van het proëmium van grote invloed geweest. Die staat in de standaarduitgave2 achter dômata Nuktos waardoor eis phaos –naar het licht- terugslaat op het (bege)leiden van de Heliaden. Zij zouden de verteller, na het huis van de Nacht te hebben verlaten, naar het licht voeren. Zijn reisbestemming wordt dan het licht en fungeert als leidraad voor de interpretatie van het gehele epos: Licht is de waarheid, duisternis dwaling en ontwetendheid.
Maar er zijn vele goede redenen te geven -grammaticaal én lexicaal-, dat die komma daar niet hoort 3 en dat het verlaten van het huis van Nacht naar het licht één en dezelfde handeling is die inmiddels is afgerond. De Heliaden ontmoeten de verteller dus daar waar hij zich op dat moment bevindt én waar het dus licht is: dat is dus de weg van de daímon. Nu het licht als bestemming is afgevallen rijst natuurlijk de vraag naar welke bestemming ze dan op weg zijn.

Het is overigens opmerkelijk dat het epos zo gedetailleerd ingaat op de twee snel draaiende wielen die voor een brandende as zorgen. Het element vuur-licht wordt met aithómenos opnieuw onder de aandacht gebracht. Daarmee kan natuurlijk de vaart die de Heliaden in het epos brengen, verbeeld worden, maar het kan ook een hint zijn naar één van de kosmologische verklaringen met tegengestelden, zoals licht-donker of warm-koud, aether, en een kosmische mechaniek van cirkels.

Naar deel 3, regels 11-16