In het voorjaar van 1884 begint Freud met zijn onderzoek naar een tot dan toe in Europa weinig bekende stof: cocaïne. Waarom kiest Freud, voor één van zijn eerste zelfstandige onderzoeken, dit farmacologische onderwerp? Een “zijdelingse, maar diepgaande belangstelling” is terugblikkend Freuds verklaring.[*] In een brief aan zijn verloofde Martha Bernays van april 1884 vertelt hij dat hij zich inleest over cocaïne als het werkzame bestanddeel van cocabladeren. “Ik wil nu het middel bestellen en het op grond van voor de hand liggende overwegingen proberen bij hartziekten, verder bij gevallen van zenuwzwakte, en vooral bij de ellendige toestand bij morfineontwenning (dr. Fleischl). Misschien werken vele andereen er al mee, misschien wordt het niks. Maar ik wil het toch proberen en je weet, wat men vaak probeert en steeds wil, dat lukt dan ooit een keer.”[*] Die hoop koestert Freud langere tijd want een half jaar later ziet hij de cocaïne nog steeds als een weg die mogelijk leidt naar “geld, positie en reputatie”[*].

Cocaïne brengt Freud niet het succes waarop hij had gehoopt. Het blijkt een gemiste kans, want zijn collega Carl Koller -die als oogarts al langer op zoek was naar een middel voor lokale verdoving- laat op 15 september 1884 op een congres in Heidelberg bekend maken dat een oplossing met cocaïne geschikt is als lokaal verdovingsmiddel bij oogoperaties. Hij is net iets eerder dan Königstein, die door Freud op dit cocaïnespoor was gezet. Königstein blijkt echter niet op de hoogte van het werk van Koller want beiden doen op 15 oktober in Wenen verslag van hun ontdekking, wat natuurlijk veel opzien baart. Voor Freud blijft, zoals hij zelf ironisch opmerkt, 5% eer over als degene die beide heren heeft geattendeerd op cocaïne en haar anesthetische werking. “Toch heb ik hierbij eigenlijk schade geleden, want als ik meer in mijzelf geloofd had, dan had ik, in plaats van het Königstein aan te raden, zelf de proef op het oog verricht en mij zou daarbij niet, zoals bij hem het fundamentele feit zijn ontgaan. Ik was echter erg van de wijs gebracht door de ongelovigheid van de mensen aan alle kanten. Dat is nu voorbij”.[*].

Niet roem, maar reputatieschade -dat is wat de cocaïne Freud dreigt op te leveren.[*] In Über Coca beschrijft Freud, na een uitgebreide cultuurhistorische en botanische inleiding, eerst zijn bevindingen over de werking van cocaïne bij gezonde mensen. Daarna volgt een uitgebreide bespreking van de therapeutische mogelijkheden van het middel. De proefpersonen voor het onderzoek onder gezonde mensen zijn Freud zelf, zijn collega’s en bekenden.[*] Methodologisch nu onacceptabel, maar toen niet ongebruikelijk. Het deel over de therapeutische toepassing van cocaïne vat resultaten samen die in de literatuur te vinden zijn. In de psychiatrie zou het goede diensten kunnen bewijzen, omdat er nog geen middelen waren om de verminderde activiteit van de zenuwcentra te verhogen.[*] Het zou kunnen helpen bij maagproblemen, bij cachexie d.i. weefselschade als gevolg van o.a. infectieziektes, tegen asthma en het zou lustopwekkend [*] zijn.
Aan een dergelijke synopsis brand je je vingers niet. Maar de paragraaf over het gebruik van cocaïne bij morfinisten vermeldt ineens hoe Freud in de gelegenheid was “een ontwenningskuur te observeren bij iemand die eerder vreselijke ontwennigsverschijnselen had gehad”. Het gaat, zo blijkt vele jaren later, om Ernst von Fleischl-Marxow [*], een brilliante geest, vertrouwd met wetenschap, kunst en muziek, afkomstig uit een rijke bankiersfamilie en door Breuer en Gomperz geïntroduceerd in de Weense high society rond de families Todesco, Wertheimstein en Lieben, professor aan de universiteit van Wenen, assistent bij Brücke, mentor en later ook vriend van Freud.[*] Gekweld door zenuwpijnen als gevolg van een duimamputatie in 1871 [*] had hij verlichting gezocht in morfine en was eraan verslaafd geraakt. Freud is, nu hij Fleischl beter kent, diep getroffen door wat deze doormaakt. Zijn toestand lijkt uitzichtsloos en dat grijpt Freud meer aan dan zijn eigen armoedige positie.[*] Bij zijn literatuuronderzoek naar cocaïne stuit Freud op een artikel waarin wordt gewezen op de rol van dit middel bij ontwennigskuren.[*] Op 6 mei 1884 stelt hij aan Fleischl voor cocaïne te gebruiken bij een ontwenningskuur en Fleischl “heeft zich met de haast van een drenkeling bij dit idee aangesloten. Ik zal vaak naar hem toe gaan, om hem te helpen bij het ordenen van zijn boeken, preparaten te tonen etc. Het is een ellende zonder weerga.”[*] Een overgelukkige Freud schrijft op 9 mei aan Martha “Triomf, verheug je met mij. Er is dus toch uit de cocaïne iets moois ontstaan. Iets heel moois, stel je voor, het is zoals ik vermoed had, een middel tegen de morfine-ontwenning en de huiveringwekkende toestanden daarbij, en de eerste patiënt bij wie ik dat waarneem, is tot mijn vreugde niemand minder dan Fleischl. Hij heeft sinds drie dagen geen morfine genomen, in plaats daarvan cocaïne en voelt zich daarbij voortreffelijk. Hij hoopt nu dat hij de hele morfine-abstinentie zo kan doormaken en dan zijn wij beiden gelukkige mensen.”[*] Voorzover zijn pijnen dat toelaten voelt Fleischl zich dus goed en het enige waar Freud zich ernstig zorgen over maakt is of na 8 dagen -de duur van de abstinentieverschijnselen- als het gebruik van cocaïne wordt gestopt, het verlangen naar de morfine terugkeert. “Als het goed gaat, wil ik mijn artikel [bedoeld is Über Coca] hierover schrijven en ik vermoed dat het middel zich dan een plaats in de therapie verovert, naast en boven de morfine.”[*] In de brief van 12 mei is Freud nog steeds laaiend enthousiast over het Zaubermittel cocaïne, maar de toestand van Fleischl vergalt zijn vreugde. De meest verschrikkelijke pijnen en slapeloosheid ontregelen Fleischl volledig: “deze aanvallen tasten de ziel al aan, hij kan ooit in zo’n toestand een aanval van razernij krijgen of zichzelf van kant maken.” [*] Fleischl wordt enige dagen later opnieuw geopereerd, krijgt weer grote hoeveelheden morfine toegediend en komt van de regen in de drup.
Ongeveer een maand na deze gebeurtenissen schrijft Freud zijn artikel Über Coca. Tot zijn ergernis hebben twee collega’s, Bettelheim en Breuer, niks positiefs te melden over cocaïne.[*] Over het gebruik bij morfine-ontwenning baseert hij zich voornamelijk op de Detroit Therapeutic Gazette, een promotietijdschrift van het farmaceutische bedrijf Parke-Davis in Detroit, dat van 1878 tot 1880 over dit onderwerp bericht.[*] Freud merkt op dat daarna het aantal berichten afneemt en concludeert dat dat het gevolg zal zijn van een inburgering van het middel. Zijn eigen observatie leert dat de “zieke niet het bed hoefde te houden en in staat bleef te werken” en dat na 10 dagen kon worden gestopt met het middel. Bij de ontwenning van morfine met cocaïne gaat het volgens Freud niet om een ruil van het ene verslavende middel met het andere, maar om een in tijd beperkte inzet van cocaïne. Het is ook niet de versterkende werking van de cocaïne op het organisme, die het succes bij morfine-ontwenning verklaart, maar een direct antagonistische Wirkung gegen das Morphin.[*]
Fleischl blijkt evenwel in juli nog steeds cocaïne te gebruiken en Freud weet dat. En wij weten dat, omdat Freud erover aan zijn verloofde schrijft. Freud is namelijk van plan om bij haar op bezoek te gaan in Wansbek bij Hamburg -hij heeft haar al een jaar niet gezien- en het ziekenhuis wil hem geen vrij geven. In woede ontstoken staat hij op het punt zijn ontslag in te dienen. Vertwijfeld loopt hij bij Fleischl langs. Die raadt hem aan geen overhaaste stappen te nemen, omdat hij daarmee als docent geen materiaal meer ter beschikking heeft en zijn net begonnen carrière direct om zeep helpt. Hij voelt zich zo ellendig dat hij het niet meer ziet zitten. “Ik vroeg om een beetje coca, iets dat hij regelmatig neemt [cursivering toegevoegd], en ik geloof dat ik er daardoor weer bovenop ben gekomen. Ik ben weer op krachten gekomen en wil weer werken ..”.[*] Oktober 1884 blijkt dat Fleischl een grootverbruiker van cocaïne is geworden, zo groot dat het de fabrikant Merck in Darmstadt is opgevallen en bij hem informeert over zijn kennis over de waarde en werking van het middel, vermoedelijk in de veronderstelling te maken te hebben met een onderzoeker en niet met een verslaafde. Toch is het pas rond juni 1885 dat Freud er openlijk over spreekt dat het bij Fleischl volledig is misgegaan door de cocaïne.[*] In januari 1885 heeft Freud nog geprobeerd de zenuwpijn te beteugelen door cocaïne direct in de zenuw te spuiten. Het werkt jammergenoeg niet en Jones, de biograaf van Freud, oppert dat een gebrek aan chirurgische vaardigheden hem parten heeft gespeeld.[*] In hetzelfde jaar lukt het de amerikaanse chirurg William Halsted [*] namelijk wel om op deze manier lokaal te verdoven. Het idee had hij gekregen na het lezen van Kollers artikel over de anesthetische werking van cocaïne. De experimenten met cocaïne eisen echter een hoge tol van Halsted: een levenslange verslaving aan cocaïne én, later, morfine.

Freud herhaalt, en dat is opmerkelijk, in een lezing op 5 maart 1885 bijna integraal zijn verslag over het gebruik van cocaïne bij morfine-ontwenning uit Über Coca: de patient had na 20 dagen -in het eerste artikel waren het 10 dagen- zijn abstinentie overwonnen en er was geen gewenning aan cocaïne opgetreden, eerder een groeiende afkeer van het gebruik ervan. Freud raadt zelfs aan, op basis van zijn ervaringen, cocaïne in dosis van 0,03 tot 0,05 gram te injecteren en voor een verhoging van de frequentie van toedoening niet terug te schrikken.
Enige maanden later, op 1 juli 1885 verschijnt een zeer kritisch artikel over Freud’s methode van Albrecht Erlenmeyer, directeur van een privékliniek in Bendorf bij Koblenz en oprichter van het Centralblatt für Nervenheilkunde, Psychiatrie und gerichtliche Psychopathologie. In 1883 heeft hij Die Morphiumsucht und ihre Behandlung gepubliceerd, een werk waarin alle aspecten van morfinegebruik en ontwenning aan bod komen en waarin hij gevallen beschrijft die volledig overeenkomen wat Fleischl is overkomen.[*]  Privéklinieken kregen in die tijd te maken met een groeiende vraag naar ontwenningskuren als gevolg van de lichtzinnige omgang met morfine, zeker in de kringen van de artsen zelf. De perfectionering van de injectienaald midden 19de eeuw door de Schot Alexander Wood maakte het mogelijk neuralgie of zenuwpijn te behandelen door morfine-injecties in de buurt van of direct in de zenuw.
Erlenmeyer vindt dat Freud in de “weinig diepgaande mededeling” op geen enkele wijze aantoont dat cocaïne een gunstig effect heeft bij morfine-ontwenning. Zeer veel ontwenningskuren verlopen zonder depressie en misselijkheid en wat Freud als resterende ongemakken noemt, zijn “allerzeldzaamste uitzonderingen”. Zijn eigen observaties, 236 injecties met cocaine bij 8 patienten en een kleine controlegroep, leren Erlenmeyer dat de werking bij morfine-absistinetie zeer beperkt is, hoogstens een kwartiertje een wat aangenamer gevoel.
Freud zwijgt en schrijft aan zijn verloofde dat het een slecht artikel is met “verdraaiingen, domme tegenwerpingen en tenslotte slecht uitgevoerde observaties …”.[*] Een jaar later meldt Erlenmeyer zich opnieuw, maar nu met de boodschap dat cocaine bepaald niet zo onschuldig is als wordt aangenomen. Met gevoel voor drama noemt hij de verslaving aan cocaïne een waardige gesel der mensheid die zich heeft gevoegd bij drankzucht en morfinisme. Want in zijn praktijk heeft hij dertien gevallen geconstateerd van morfinisten die van hun verslaving probeerden af te komen en er uiteindelijk een cocaïneverslaving aan hebben over gehouden: het is de duivel uitdrijven met Beëlzebub!
Freud reageert in 1887 met zijn laatste artikel over dit onderwerp, Bemerkungen über Cocaïnsucht und Cocaïnfurcht. Dat Erlenmeyer geen effect bij morfine-ontwenning had gevonden is het gevolg van het inspuiten van te lage dosis; Freud stelt dat hij mondelinge toediening heeft voorgeschreven. Dat is echter niet in overeenstemming met zijn artikel uit 1885 en in Ueber Coca wordt niets gezegd over de wijze van toediening. De betekenis van cocaïne voor morfinisten is verloren gegaan doordat het middel in handen van de morfinisten is gekomen die het op dezelfde wijze misbruiken als morfine. Dan is cocaïne inderdaad gevaarlijk, want om effect te blijven houden hebben zij snel grote dosis nodig die zonder meer schadelijk is voor de gezondheid.[*] Freud geeft hier bevindingen van anderen weer, maar zijn ervaring met Fleischl moet dezelfde taal hebben gesproken. Als ook nog artsen die het als lokaal verdovingsmiddel gebruiken, wijzen op gevaren van het middel, vindt Freud dat door de nadruk op de Sucht en Furcht het kind met het badwater dreigt te worden weggegooid. Want alle berichten over de verslavende werking van cocaïne gaan over morfinisten en die zijn al in de greep van één van de demonen van Erlenmeyer![*] Bij gezonde mensen staan de zaken er anders voor en volgens Freud is bij alle personen die geen morfinist zijn en cocaïne gedurende langere tijd hebben gebruikt geen afhankelijkheid opgetreden. Hij kan er zelf over meepraten, want maandenlang cocaïnegebruik vergrootte zijn trek in het middel niet; het tegendeel was eerder het geval.[*] Freud gaat ook nog kort in op de cocaïnevergiftiging en collaps (flauwvallen) die artsen hebben gemeld bij het gebruik als lokaal verdovingsmiddel. De oorzaak ligt vermoedelijk bij de invloed van het middel op de bloedvaten (vernauwing of verwijding) en het hart en die individueel sterk kan verschillen.[*] Omdat de verschillen in aanleg moeilijk te peilen zijn, raadt Freud het injecteren van cocaïne af. Tot slot somt Freud bemoedigende resultaten op die zijn gerapporteerd door een amerikaanse arts.

Freud’s overtuiging dat cocaïne een waardige kandidaat is voor de medicijnkast lijkt immuun voor tegenspraak. Collega’s die niets goeds te melden hebben over het middel zullen wel niet goed te werk zijn gegaan, de verslavende werking die wordt geconstateerd zegt meer over de gebruikers -morfinisten zonder ruggegraat- en allerlei andere nare effecten vinden hun verklaring in de onvoorspelbaarheid van de interactie tussen gebruiker en middel. Daarom heeft Freud zijn onderzoek van het effect van cocaïne op de spierkracht en de reactiesnelheid -objectief te meten grootheden i.t.t. de subjectieve gevoelens van euforie of afkeer die cocaïne oproept[*]-, alleen bij zichzelf uitgevoerd. Zijn reactie op cocaïne is zijns inziens gelijkmatig genoeg om er onderzoek mee te doen.[*] De resultaten publiceert hij begin in januari 1885. En wat blijkt: met cocaïne neemt het prestatievermogen en de reactiesnelheid toe! Niet door een direct invloed op de motorische zenuwcentra of de spieren, maar door een verbetering van de Stimmung of het Gemeingefühl, zo vermoedt Freud, want hij constateert ook variatie in zijn resultaten die verband lijkt te houden met zijn algemene welbevinden.[*] Interessante observaties, maar hoe betrouwbaar zijn ze? De hoeveelheden cocaïne in het onderzoeksverslag zijn 0,05-0,1 gram en bij zijn samenvattende weergave uit april 1885 zou het gaan om 0,4 gram. Het kan een drukfout zijn, maar ook een gebrek aan interesse in preciese metingen, in feitelijke omstandigheden en variaties. Een geringe affiniteit met experimenteel onderzoek en statistische analyse kan er natuurlijk ook debet zijn. Bernfeld, de eerste psychoanalyticus die een studie van deze periode heeft gemaakt, komt tot de conclusie dat deze experimenten slecht en lukraak waren opgezet en dat de rapportage erover precisie miste.[*] Groter kan het verschil met zijn tijdgenoot Francis Galton niet zijn. Die was gefascineerd door kwantificering en bedacht voor alles hij hem boeide meetapparatuur. Zijn devies was Whenever you can, count. Freud hield blijkbaar minder van tellen en als het tellen en sommeren feiten opleveren die niet overeenstemmen met zijn vermoedens of overtuigingen, was dat vooral vervelend voor de feiten. Om zijn overtuigingen aan het wankelen te brengen was meer nodig.

Freud publiceert zijn laatste bijdrage over cocaïne in 1887. Maar al in het voorjaar van 1885 sluit hij zijn ‘cocaïnedossier’. Met de lezing op 5 maart 1885 voor de Psychiatrische Verein van Meynert beëindigt Freud zijn publieke voorspraak van het middel “en dan heb ik definitief rust van de cocaïne”.[*] Maar, de cocaïne liet hem dus niet met rust. Verontrustende berichten over het middel laten hem dus nog één keer naar de pen grijpen en privé blijft het Zaubermittel, naast de nicotine die de sigaren leveren, een gewaardeerd middel tegen vermoeidheid en teneergeslagenheid.

Deze weergave van de cocaïne-episode wekt de indruk dat in Wenen Freud de enige pleitbezorger was van het cocaïnegebruik. Daarom moet tot slot van dit deel nog aandacht worden geschonken aan Heinrich Obersteiner. Hij was negen jaar ouder dan Freud en had ook geneeskunde gestudeerd aan de Weense universiteit. Tijdens zijn studiejaren werkt hij in het laboratorium van Brücke, net als zijn vrienden Breuer, Fleischl en Exner en -later- Freud. Hij specialiseert zich in de neuroanantomie en -pathologie en publiceert in 1888 een standaardwerk over de hersenanatomie, dat Freud recenseert in de Wiener Medizinische Wochenschrift.[*] In 1882 richt hij het Neurologische Institut op en zorgt ook voor de financiering van deze instelling. Als praktizerend arts is hij werkzaam in de privékliniek van Ober-Döbling en in 1889 volgt hij daar zijn vader en Leidesdorf op als directeur. Obersteiner schrijft vanaf 1880 artikelen over morfineverslaving en zijn schoonvader Leidesdorf heeft al in 1876 over dit groeiende probleem gepubliceerd.
Waarschijnlijk is Obersteiner van het begin af aan op de hoogte geweest van de ontwenningskuur van Fleischl, want als er na een week ernstige problemen optreden -waarover Freud 12 mei 1884 aan zijn verloofde schrijft- is Obersteiner ook ter plaatse en zorgt Breuer, Fleischl’s arts, ervoor dat hij hem daarna dagelijks bezoekt. Obersteiner is dan mogelijk ook al begonnen met de toepassing van cocaïne bij ontwenningskuren in zijn eigen kliniek, want op 11 augustus 1884 houdt hij een korte inleiding bij een discussie over de behandeling van een morfineverslaving op een internationaal medisch congres in Kopenhagen. Hij verwijst daarbij naar cocaïne dat voorzover hij weet “in Europa erst vor wenigen Wochen durch Dr. Freud (Wien) zu diesem Zwecke” is aangeraden.[*] Een andere arts wijst erop dat een patient van hem jaren daarvoor in Amerika tevergeefs heeft geprobeerd met cocaïne van de morfine af te komen: het middel werkt net zo min als alle andere is zijn conclusie.
Maar Oberstein legt zich daar niet bij neer en publiceert in oktober 1885 een artikel over het gebruik van cocaïne bij neuroses en psychoses. Het belangrijkste toepassingsgebied van cocaïne blijft niettemin de ontwenningskuur. Obersteiner is van mening dat Erlenmeyer geen goede resultaten heeft gekregen, omdat hij te lage doses gebruikt heeft gebruikt. Freud verwijst in zijn reactie uit 1887 over dit onderwerp naar Obersteiner. Die is echter van mening dat er geen antagonistische werking van de cocaïne uitgaat en dat het daarom slechts als verlichtingsmiddel kan worden ingezet; Freud had in Über Coca het tegenovergestelde beweerd. Wel een gunstige werking treft Obersteiner aan bij neurasthenie, hypochondrie en depressie, maar bij psychosen schijnt cocaïne niet het geschikte middel. Obersteiner is wel veel voorzichtiger dan Freud over het ontwenningsrisico bij langdurig cocaïnegebruik en vindt  dat meer ervaring hierover definitief uitsluitsel zal moeten geven. In een voordracht begin 1886 over vergiftigingspsychosen noemt Obersteiner ook cocaïne als bron van gevaar; het kan leiden tot een delirium tremens vergelijkbaar met wat alcohol kan aanrichten. Hij maant nogmaals tot voorzichtigheid met dit middel, dat volgens hem echter ook klinisch gezien uitstekende eigenschappen heeft.

De enerverende episode met cocaïne heeft Freud nooit volledig achter zich kunnen laten. In zijn droomanalyses in de Traumdeutung komt hij geregeld terug op de cocaïne, bv. in de analyse van de droom over de botanische monografie (waarin in de analyse Koller en Köngistein optreden en Freud verwijst naar zijn publicatie over coca) en zijn droom over Irma, waarbij hij zijn “ongelukkige vriend” (Fleischl) in herinnering wordt geroepen. Bij het thema jeugdervaringen die in dromen verwerkt zijn, komt Freud al associerend tot het volgende: Ja, als ob dem Drang, Verbindungen zu erzwingen, gar nichts heilig wäre, dient nun der teure Name Brücke (Wortbrücke siehe oben) dazu, mich an dasselbe Institut zu erinnern, in dem ich meine glücklichsten Stunden als Schüler verbracht, sonst ganz bedürfnislos („So wird’s Euch an der Weisheit Brüsten mit jedem Tage mehr gelüsten’ ), im vollsten Gegensatz zu den Begierden, die mich, während ich träume, plagen. Und endlich taucht die Erinnerung an einen anderen teuren Lehrer auf, dessen Name wiederum an etwas Eßbares anklingt (Fleischl, wie Knödl) und an eine traurige Szene, in der Epidermisschuppen eine Rolle spielen (die Mutter Wirtin) und Geistesstörung (der Roman) und ein Mittel aus der lateinischen Küche, das den Hunger benimmt, das Kokain.
So könnte ich den verschlungenen Gedankenwegen weiter folgen und das in der Analyse fehlende Stück des Traumes voll aufklären, aber ich muß es unterlassen, weil die persönlichen Opfer, die es erfordern würde, zu groß sind.[*]