Nadat Dikè de grendel heeft teruggeschoven zwaaien de deuren open.

17. [                          ]. Daarvan zwaaiden de deurvleugels open
18. en maakten een gapende kloof [zichtbaar] toen de met veel brons beslagen
19. deurposten na elkaar in hun kommen draaiden
20. [deurposten] met houten pennen en spijkers bevestigd; daar dus midden door
21. en dan recht de weg op stuurden de maagden de wagen en paarden.[*]

De grote aandacht voor de technische details van assen, wielen, grendels en draaipunten is opmerkelijk en nodigt uit om er eens grondig naar te kijken.

HomerischeDeurParmenidesDeurpost

De stadspoorten werden ten tijde van Parmenides afgesloten met grote houten deuren die waren bevestigd aan ronde posten. Deze posten liepen taps toe en waren in brons gevat. In de drempel en latij waren uithollingen1 gemaakt waarin de posten draaiden. Hermann Diels2 -die hier ruim honderd jaar geleden al uitgebreid aandacht aan heeft geschonken- oppert het idee dat de posten die Parmenides beschrijft ook nog van kegelvormige bronzen punten (de perónai) aan hun uiteinde (gómbai) zouden zijn voorzien die precies in puntsgewijze uitsparingen (súrigges) in de drempel zouden vallen.

Dit idee wordt door Coxon3 terecht verworpen, evenals Diels suggestie dat het slot dat Dikè opent een lakonisch balanosslot zou zijn geweest. Parmenides heeft het over sleutels (kleidas, meervoud) en de grendel is met pinnen (balanos) geblokkeerd. Het ligt voor de hand dat iedere pin met een eigen sleutel kon worden weggeschoven.
Het amoibous na kleidas (regel 14) slaat, via tôn, terug op de poorten en niet op de sleutel, zoals Diels vermoedt. De poorten worden dus door Dikè afwisselend geopend voor de aflossing van Dag en Nacht, net zoals het bijwoord amoibadon iets verderop (regel 19) aanduidt dat de deuren na elkaar zich openen.

Maar laten we eerst iets meer afstand nemen van alle interpretaties en de aandacht richten op de (volgorde van de ) woorden in tekst. Wat zien we dan? Hippoi op het einde van regel 4 en hippous op het einde van regel 21 omarmen het deel van de tekst waarin de Heliaden de leiding nemen en de reiziger naar zijn bestemming brengen.
Een aantal woorden is in dit gedeelte van tekst gegroepeerd in een chiastische structuur.  De volgorde

ἵπποι (4) – ἅρμα (5) – κοῦραι (5) – Ἄξων/σύριγγος (6) – πύλαι (11) – θυρέτροις(13)

wordt in de laatste vier regels als volg weerkaatst:

πυλέων (17) -θυρέτρων (17) – ἄξονας/σύριγξιν (19) – κοῦραι (21) – ἅρμα (21)- ἵππους (21)

Dit chiasme is overigens minder strak van opzet dan bij de eerste vier regels het geval is waardoor het centrum als het ware “verneveld”. De eerste sequentie gaat over de wagen, de tweede over de poorten. Maar er bestaat een opmerkelijke gelijkenis tussen de beschrijving van beide:

  • wielen aan beide kanten (amphotérothen) – dorpel en latij aan beide kanten (amphis)
  • assen (axon) die gillen (suriggos) – deurposten (axonas) die in kommen draaien (surigxin)
  • de as is gloeiend heet (aithómenos) – de poorten lichtend (aitheriai)

Tussen de beschrijvingen van de technieken en hun werking in de wagen en de poort staat Dike polupoines die de sleutels in handen heeft. Hoewel minder scherp aangeduid, lijkt het vermoeden niet onredelijk dat hier toch het centrum en aandachtspunt van dit chiasme ligt.

Een ander chaisme wordt gevormd door woorden die twee keer voorkomen[*]:
ἵπποι (1), ἵπποι (4) – κοῦραι (5), κοῦραι (9) – Νυκτός (9),
Νυκτός (11) – κοῦραι (15), κοῦραι (21) – ἵππους (21), ἵπποις (25).

In het centrum van dit chiasme staat εἰς φάος (“naar het licht”) en het is direct ingeklemd tussen Νυκτός, Nacht uit de regels 9 en 11. Het zijn de verzen waarin de Heliaden op weg zijn naar het licht als ze de huizen van Nacht hebben verlaten. Eerder is al het chiasme in de eerste vier regels besproken waarin εἰδότα φῶτα -met de toespeling op licht– het centrum was. Nu staan wederom de vocabulaire schijnwerpers gericht op het licht, bijna in directe oppositie met Nacht. Dat de tegengestelden licht en nacht nog directer gecombineerd kunnen worden laat Parmenides zien in fragment 14 dat opent met Νυκτι φάος en gaat over de maan die -met een knipoog naar Homerus- schijnt met geleend licht.

Tot nu toe lijkt het proëmium op een caleidoscopisch spel met licht en donker, dag en nacht, hemel en aarde en twee bijzondere figuren: de man van kennis en Dike polupoines die de sleutels van dit spel in handen lijkt te hebben. Maar bij de poorten van dag en nacht aangekomen rijst de vraag: wat ligt aan gene zijde van de drempel; hoe nu verder?

Gapende leegte (chasm’ achanes)!!
Χασμα, waar volgens Hesiodes zelfs de Goden van huiveren en aarde, zee, hemel en Tartaros in geworteld zijn. Maar de dochters van Helios laten zich niet van de wijs brengen, rijden midden door de poort en vervolgen met merries en wagen hun reis.

Met chasm’ achanes zijn we aangekomen op regel 18 van het proëmium. Dat is over de helft van het proëmium in de standaardversie van Diels-Kranz, die sinds de jaren vijftig niet meer ter discussie is gesteld en 32 regels omvat. Deze reconstructie wijkt aanzienlijk af van één van de tekstbronnen van deze reconstructie: de weergave het begin van het werk van Parmenides in een tekstblok van 35 regels door Sextus Empiricus in zijn Adversus Mathematicos. Maar filologen hebben op grond van verschillende overwegingen deze tekst nooit integraal geaccepteerd, alternatieve versies in elkaar gezet met als eindresultaat de huidige Diels-Kranz standaard. De eerste 30 regels komen in beide versies overeen. In de Diels-Kranz versie zijn na regel 30 twee regels toegevoegd uit een fragment bij Simplicius; van de laatste zes regels van het citaat van Sextus Empiricus gaan vijf door het leven als fragment B7 en is de laatste regel het begin van B8. Om die regel enigszins begrijpelijk te houden is thumos gewijzigd in muthos. Christopher Kurfess heeft in zijn dissertatie uit 20124 echter goede redenen aangevoerd -zowel stilistisch als inhoudelijk- dat het citaat van het proëmium bij Sextus Empiricus volledig is; hier wordt zijn reconstructie op basis van het citaat in Adversus Mathematicos gevolgd. De gapende leegte, chasm’ achanes, ligt dan precies in het midden, een keerpunt van het proëmium.

Chasm’ achanes staat precies aan het begin van de middelste regel van het hele proëmium; het is de kloof -ook een vertaling van chasma– tussen wat voorafging en wat er volgt. Met de doorgang door de poorten van Dag en Nacht verlaten de jongeling en de Heliaden de natuurlijke wereld van dag en nacht, van licht en duisternis, der wereld van afwisseling en onderscheid en betreden het voor ons onbekende “bovennatuurlijke”.

Naar deel 5, de regels 21 – 27