Na de enerverende tocht tot aan de rand van de wereld en het oponthoud bij de poorten van Dag en Nacht, zetten de dochters van Helios hun reis onverschrokken voort op de weg door de totale leegte, het onbegrensde. De bestemming kan vast niet meer ver weg zijn!

Thea1 , godin, is niet verrast over het bezoek en heet de jongeman welkom.

22. En de godin ontving me vriendelijk, pakte met haar hand
23. mijn rechterhand, richtte zich tot mij en sprak deze woorden.
24. Jongeman, begeleid door onsterfelijke wagenmensters
25. ons huis bereikend met merries die je voeren/brengen,
26. Wees welkom, want een geenszins slecht lot begeleidde je op je tocht
27 langs deze weg -ver van de gebaande paden van de mensen-
28. maar wet/orde [themis] en gerechtigheid [dikē]. [ .. ]

“Handshake” - Priest and two soldiers, 500BC. Pergamon Museum Berlin (SK1708)

“Handshake” – Priest and two soldiers, 500BC. Pergamon Museum Berlin (SK1708)

Het onthaal is vriendelijk maar in plaats van handen te schudden neemt de godin, voor zij het woord tot de jongeling richt, zijn rechterhand in haar hand.
Hoewel de gebeurtenis van een alledaagse eenvoud is, slaagt Parmendes erin om met zijn woordkeus frases uit Homerus grote epos in herinnering roepen die het welkom ook iets tweeslachtigs geven. Het woord voor ontvangst, ὑποδέχομαι, kan namelijk ook verborgen, heimelijk betekenen. In combinatie met de typering vriendelijk, πρόφρων (samenstelling van pro en phren, wat we al eerder besproken hebben), beschrijft Homerus altijd ontmoetingen waarin standsverschillen, misleiding of verkeerde interpretatie de situatie ingewikkelder maken dan op het eerste gezicht het geval lijkt. De combinatie χεῖρα δὲ χειρί waarmee Parmenides beschrijft hoe de godin zijn hand in de hare neemt, gebruikt Homerus twee keer en beide keren wordt de hartelijkheid van het gebaar getemperd door een hint naar afstandelijkheid of achterdocht. Bovendien staat δεξιτερὴν -rechter(hand) helemaal links in de versregel. Naast de mogelijkheid associaties uit de grote literatuur op te roepen biedt de versvorm Parmenides dus ook ruime gelegenheid om met woordspel er de aandacht op te vestigen op dat wat gezegd wordt misschien minder eenduidig is dan het lijkt.2

Het eerste woord van de godin is meteen een typering van zijn status: koure, jongeman. Zou het een “autobiografisch” element zijn dat verwijst naar de jeugdige leeftijd waarop Parmenides het hier verhaalde is overkomen? [*] Het is hoogst onwaarschijnlijk dat een auteur als Parmenides in zijn gedicht een zo triviaal element, dat niets bedraagt aan de inhoud ervan, zou hebben opgenomen. Een andere suggestie voor de typering koure is dat hiermee het onderscheid tussen goddelijke boodschap en menselijke natuur van de ontvanger benadrukt wordt. Maar voor een dergelijke nuance zou Parmenides vermoedelijk andere woorden hebben gekozen.3 Burkert ziet in het gebruik van koure juist een bevestiging van zijn gelijkwaardigheid met de goden en volgt daarbij de suggestie van Alois Patin uit 1899. Maar haaks daarop staat dat direct daarna juist het verschil wordt benadrukt: onsterfelijke wagenmenners –kourai of dochters van Helios- hebben hem gebracht waar sterfelijken normaal niet komen. Dat hij daar staat heeft hij ook te danken aan themis en dikē en niet aan een slecht lot, met andere woorden: aan de dood. En uit de vermaningen van de godin, later in het proëmium, dat hij zich niet moet laten impalmen door ervaringrijke gewoonte van de sterfelijken, kan alleen de conclusie getrokken worden dat de koure geenszins de gelijke is van de goden.

Maar waarom dan koure? Het gaat om ervaring of juist: het gebrek aan ervaring! Rijk aan ervaring is de held Odysseus; hij is polymētis (met veel trucs, slim), polytropos (talrijke (om)wegen, veel gereisd), polutlas (veel doorstaan). Op zijn tocht (hodos) -naar huis- is hij ook bij de Laistrygonen geweest waar de banen van dag en nacht dicht bij elkaar liggen. Eveneens is hij te gast geweest in de Onderwereld. Maar zijn omzwervingen door de wereld waardoor hij veel steden heeft leren kennen, waren dwaalwegen, tegenslagen die het bereiken van dat ene doel vertraagden: de thuiskomst in Ithaka. Wanneer dat zou plaatsvinden lag in handen van de goden.
Op diverse plaatsen worden in het proëmium samenstellingen met polu gebruikt: poluphēmon (2), poluphrastoi (4), polupoinos (14), poluchalkous (18), polupeiron (32), poludērin (34) en ze karakteriseren allen de ervaringswereld, de wereld waarin Odysseus zijn heldenrol vervulde en waarvan de verschijnselen worden bestudeerd door de historiè.   Maar in de wereld waarin hij nu is aangekomen is telt ervaring niet en onbevangen als hij is zal hij door de godin worden “ingewijd” in hoe het werkelijk zit. De godin wijst er nog eens op hoe uitzonderlijk het is dat hij in die wereld is gekomen: niet door een slecht lot -door als sterfelijke te overlijden-, maar orde en gerechtigheid én onder leiding van goddelijke wagenmensters (de Heliaden) de de teugels van de paarden in handen hadden genomen en koers hebben gezet naar dit goddelijke oord.

Een opmerkelijk detail is dat regel 25 bijna gelijk is aan de eerste regel van het epos en het begin als het ware herhaalt. In de eerste regel -zegt de jongeling zelf- voeren de merries hem tot waar het gemoed reikt, nu -zegt de Godin- hebben de merries hem gebracht naar het huis van de godin. Dit onderscheid is een gevolg van de begeleiders: aanvankelijk waren dat de merries zelf, maar met de tussenkomst van de onsterfelijke wagenmensters, -de Heliaden- hebben “onsterfelijken” de leiding genomen.

Naar deel 6, regels 28 – 36