Er is geen bron die rijker is aan inzichten in de mens dan zijn eigen taal. De ervaring die de mensheid met zichzelf heeft opgedaan –en steeds opdoet- vindt zijn weg in uitdrukkingen, zegswijzen en gezegdes die meestal op figuurlijke wijze gepointeerd het begripsmatige overstijgen en uitbreiden.

Graveren, stempelen. typeren

“Ze zijn allen van dezelfde stempel”, “iemand van de oude stempel” of “ergens zijn stempel opdrukken”: deze uitdrukkingen maken gebruik van het beeld waarin een vorm (de stempel) met meer of minder kracht in een medium wordt gedreven en daar een onuitwisbare afdruk achter laat. De afdruk wordt ook stempel genoemd en wordt gebruikt om te (ken)merken: herkomst, echtheid, goedkeuring, afhandeling etc.

Karakter is een woord dat we hebben ontleend aan het Grieks. Charaktér (charessein: krassen, slijpen) betekende graveur én gegraveerd of ingestempeld teken op een zegel of een munt. Overdrachtelijk werd het ook gebruikt als aanduiding van een kenmerk dat iets of iemand onderscheidt van de rest1 . Soms werd het ook gebruikt als aanduiding van wat iets of iemand gemeenschappelijk heeft met andere dingen of personen; wij zouden het nu een typering noemen. Maar dit woord is ook afkomstig uit het grieks –tupos- en maakt gebruik van hetzelfde beeld als bij stempel/karakter het geval is: een vorm slaan in een medium (túptein: ‘slaan, houwen’). Zo bezien -naar het achterliggende beeld- hebben we niet veel nieuws gezegd, maar toch hebben in onze taal de woorden karakter en type een duidelijk verschillende betekenis. Kan de geschiedenis van de ontlening ons hier verder helpen?

Theophrastus Ethikoi charaktères

Aan een leerling van Aristoteles, Theophrastus, wordt een tekst toegeschreven die waarschijnlijk de bron is van ons woordgebruik. Het werk heet ethikoi charaktères. Het is een verzameling puntige stereotypes2 -de huichelaar, de lafaard, de vleier, de opschepper, de pummel etc. Het werk was vermoedelijk onderdeel van het retorische onderwijs van Theophrastus, want het is overgeleverd in een verzameling Byzantijnse retorische teksten. Ook waren hoofdstukken met ‘karakterschetsen’ gebruikelijk in retorische verhandelingen.

Het opmerkelijke is nu dat niet charaktères, maar ethikoi[*] het ‘karakter’-aspect tot uitdrukking brengt. ἦθος (ethos) was de Griekse term voor gewoonte, gebruik of manier en we kunnen het in deze context het beste vertalen met “iemands manier van doen”. Dat hiermee zoiets als “karakter” wordt bedoeld blijkt ook uit het gebruik van ethos in de retorica. Om toehoorders te overtuigen waren twee zaken van groot belang: de ethos van de spreker en de pathos bij de toehoorders. De ethos van de redenaar omvat zijn hartstochten, zijn manier van doen, zijn leeftijd en zijn omstandigheden: afkomst, rijkdom e.d. Ethos is dus een mengsel van psychologische kenmerken, omgangsvormen en maatschappelijke status. Met charaktères wordt in ethikoi charaktères aangeduid dat het gaat om een herkenbaar patroon van gedragingen, om een ‘type’. Als een redenaar in een speech dus iemand wilde neerzetten als huichelaar, dan vond hij in de ethikoi charaktères precies het gedragspatroon dat daar naar verwees. Zoals de charaktères op een munt verwees naar het gewicht van het edelmetaal -en dus de waarde-[*], zo verwees het gedragspatroon (charaktères) naar het ‘karakter’ (ethos). Het werk dat Theophrastus heeft geschreven beoogde dus geenszins een ‘moraaltractaat’ te zijn, maar leverde bruikbare schetsen van “karakters”, types zoals die ook in de Griekse komedie ten tonele werden gevoerd.

De retorici die de schetsen van Theophrastus in hun compilaties van geschriften opnamen, hebben het woord ethikoi laten vallen omdat zij vermoedelijk de associatie van ethikoi met ethiek of moraal wilden vermijden. De titel werd dus afgekort tot Charaktères.

In de retorische verhandelingen leefde de karakterschets verder als onderdeel van de verfraaiende stijlfiguren: de ornatio. Een mooi voorbeeld van deze verlevendiging van het betoog is te vinden in de Rhetorica ad Herennium. Niet alleen een korte, maar heldere schets van de uiterlijke verschijning van iemand (effictio) verrijkt het betoog, ook een ‘karakterisering’ (notatio) is daartoe zeer geschikt. Die bestaat volgens de auteur uit een aantal beschrijvende kenmerken die iemands aard (natura) als ‘bepaalde brandmerken’ zijn opgedrukt. Hij geeft een aantal voorbeelden en komt tot de slotsom dat deze stijlfiguur uiterst amusant is want ze stelt iemands aard direct voor ogen: eerzuchtig, afgunstig of gierig; een verkwister, streber, dief of woekeraar.

Een fameuze opvolger is het werk Les caractères van Jean de La Bruyère uit 1682. Na de vertaling van het werk van Theophrastus volgt een groot aantal stereotypen uit eigen tijd.

Wordt vervolgd!