Psychologie is laat als zelfstandige wetenschap onder de vleugels van de filosofie uitgekropen. Vóór de 19de eeuw werden psychologische vraagstukken steevast behandeld in de filosofie. En toen filosofie zelf tot ontwikkeling kwam –bij de oude Grieken- was wat in de mens omging onderdeel van een nog veel breder gebied dat met ψυχή (psuchê: adem/ziel, geest) misschien het best wordt afgebakend: alles wat ‘bezield’ is. En dat veld zag er toen totaal anders uit dan tegenwoordig: zie de vele–nauwelijks te vertalen-  termen die in gebruik waren zoals θυμός (thumos: adem/passie/spirit) en νούς (nous: denken), φρηνες (phrenes: zoiets als gemoed), dat zich kan vullen met μένος (menos: boosheid) of θυμός (thumos: passie), maar ook met χολος (cholos: gal, woede); ook καρδία (kardia: hart) kan volstromen met χολος en verbitterd raken. Andere ingewanden speelden ook een rol in het innerlijke leven; uitdrukkingen als in hart en nieren, iemands nieren proeven of iets op de lever hebben zijn pareltjes die onze taal nog rijk is. Het innerlijke leven van de mens werd toen dus gezien als een uiterst ingewikkeld krachtenspel waarin hij of zij was overgeleverd aan zowel het lijf als de goden. Wat ontbreekt is de voorstelling van een innerlijke, psychische eenheid, een kern als onderwerp van zelfkennis, zelfontplooiing, zelfzorg en aangrijpingspunt van moraal. En dan verschijnen, rond de vijfde eeuw voor Christus, dichters en filosofen op het toneel die psūchê wel in die betekenis gebruiken. Ideeënhistorisch is de invloed van Plato het grootst.[*] Hij maakt van psūchê het “zelf” dat onsterfelijk is en waar nous (rede), thumos (wil) en epithumos (lust) met elkaar de strijd aan gaan. Er komt pas rust, orde en harmonie als de rede heerst in eigen huis, zijn wet oplegt aan wil en lust.

De ziel en de hersenen

Ongeveer tweeduizend jaar is aan dit basismodel gesleuteld door medici, filosofen en theologen met vragen als welk deel van de ziel is nu precies immaterieel, hoe verbindt het materiële zich met het immateriële, hoe wordt  gevoeld, gewild en gedacht, waar zit de fantasie of verbeelding, welke rol spelen de hersenen, wat speelt zich daarin op welke plaats af, zijn passies -liefde, verdriet, boosheid, vrees- altijd onredelijk, wat drijft de mens.[*] Daar kan een fascinerende geschiedenis van ziel, zelf en zedelijkheid of moraal over geschreven worden. Maar laten we niet verder teruggaan dan tot de 18de eeuw, de Verlichting, de dageraad van de moderne wereld waarin felle strijd werd geleverd over nieuwe denkbeelden. Een zo’n denkbeeld, heel scherp geformuleerd, gedrenkt in athéisme en onverschrokken materialisme is dat van L’homme machine naar het gelijknamige boek van La Mettrie uit 1746. Deze arts-filosoof leerde de gewone filosofen een lesje ervaringskunde. “Nemen we dus de stok van de ervaring op en laten wij de geschiedenis van al de ijdele denkbeelden der filosofen achter ons. Blind zijn en geloven het zonder die stok te kunnen stellen, dat is wel de ergste vorm van verblinding.” [Wordt vervolgd!]

Experimentele psychologie

Het succes van de natuurwetenschappen en de vooruitgang op het gebied van de fysiologie en neuroanatomie daagt velen uit de methode van de natuurwetenschappen toe te passen bij de studie van psychische verschijnselen. Het meest toegankelijk voor deze methode is de zintuigelijke waarneming en veel vooruitgang wordt op dit terrein geboekt; er komen zelfs nieuwe namen in omloop: psychofysica of fysiologische psychologie. In 1874 verschijnt Grundzüge der physiologische Psychologie van Wilhelm Wundt. Het werk beoogt een nieuw wetenschapsgebied af te bakenen, maar de auteur zegt zich bewust te zijn van de twijfel die het ook moet oproepen. De anatomisch-fysiologische fundamenten van deze discipline zijn namelijk nog niet helemaal zeker en de experimentele behandeling van psychologische vraagstukken staat nog in de kinderschoenen. Maar een brede schets van de stand van zaken kan juist gaten aan het licht brengen en omdat de oplossing van problemen in de psychologie vaak gebonden is aan de samenhang met feiten uit verder af liggende studiegebieden is een overzicht nu juist erg nuttig. Bijna dertig jaar later, bij de vijfde druk in 1902, stelt Wundt vast dat het materiaal voor een dergelijk overzichtswerk uit de experimentele psychologie en verwandte disciplines al bijna niet meer is te overzien. De twijfel over het bestaansrecht van een experimentele psychologie is verdwenen, maar de psychologie kampt nu met het probleem dat zij uiteen is gevallen in verschillende richtingen op basis van principiële tegenstellingen over haar doel en de weg waarlangs dat bereikt kan worden.

Het psychologisch laboratorium van Wilhelm Wundt in Leipzig rond 1880

Statistiek

Een andere vrucht van de 19de eeuw is de moderne statistiek. Het woord 1  is in 1749 geïntroduceerd door Gottfried Achenwall als benaming van de beschrijvende statenkunde waarin wordt verteld over alle factoren die bijdragen aan de Glückseligkeit van een land (van klimaat en bodemgesteldheid tot wetgeving, aard van de bevolking en stand van wetenschap) en waarmee de vorst rekening kan houden in zijn beleid. Na deze verhalende start wordt statistiek echter langzaam steeds cijfermatiger, doen tabellen hun intrede en brengt John Sinclair het woord echt in omloop door het in 1791 op te nemen in de titel van zijn werk over Schotland: Statistical account of Scotland.[*] Rond 1800 is statistiek vooral het vervaardigen van tabellen met getallen over allerhande onderwerpen die voor de staat van belang zijn: de bevolkingsomvang en -samenstelling, gegevens over het economische leven zoals handel, lonen, werktijden, agrarische productie en ‘morele statistiek’  waarin gegevens worden verzameld over huwelijken, zelfmoorden, criminaliteit e.d.. In de eerste helft van de negentiende eeuw wordt in een aantal landen de overheidsstatistiek institutioneel verankerd. Nederland richt in 1826 een Centrale Commissie van Statistiek op die als opdracht de bearbeiding eener statistiek des rijks meekreeg; van deze commissie is echter na de volkstelling van 1829 niet veel meer vernomen. In het pas 10 jaar onafhankelijke Belgie wordt in 1841 een Commission Centrale de Statistique in het leven geroepen waarvan Adolphe Quetelet voorzitter is. In 1853 organiseren zij het eerste internationale congres voor de statistiek in Brussel en bevestigen daarmee het aanzien dat zij hadden verworven in de voorafgaande jaren. Geen enkel land kan in de loop van de 19de eeuw nog zonder een centraal bureau voor de statistiek (Nederland is met de oprichting van een dergelijk bureau in 1892 bepaald geen voorloper). Industrialisatie, massale trek naar de stad, maatschappelijke onrust culminerend in het revolutionaire tumult van 1848, nieuwe ideeën over de maatschappelijke organisatie in het socialisme en het communisme, de “sociale kwestie” of het arbeidersvraagstuk, dwingen de overheden tot beleid dat steeds dieper ingrijpt in het maatschappelijke leven. 2 Daarvoor zijn betrouwbare, gestandaardiseerde en uitwisselbare gegevens over het maatschappelijke leven onmisbaar en het verzamelen van gegevens wordt op landelijk niveau gecoördineerd. Nog voor het midden van de 19de ontbrandt er een strijd over de toepassing van de wiskunde en kansrekening in de statistiek. Het opsporen van verbanden in de verzamelde gegevens was een uitbreiding van de statistiek die volgens de verstokte gegevensverzamelaars haar ver van haar oorspronkelijk (staats)doel zou verwijderen. Dat was een taak van de politieke rekenkunde (een term die door William Petty was geïntroduceerd) en viel dus buiten de statistiek. Anderen, waaronder Quetelet, zagen hier een eerste stap naar een sociale fysica die de wetmatigheden van het maatschappelijk leven bestudeerd. Met welke naam deze ontwikkeling ook wordt aangeduid, het is de eerste, enigszins naïve, stap op weg naar een empirirsche sociologie en statistiek als de wetenschappelijke discipline van het verzamelen, bewerken en interpreteren van gegevens waarin de waarschijnlijkheidsrekening een centrale plaats inneemt. Maar terug naar de psychologie!

Het bewustzijn

Eén obstakel bij de experimentele studie van de geest is niet uit de weg te ruimen: externe observatie biedt nooit onmiddelijk toegang tot wat er in iemand anders omgaat. Directe deelname aan andermans binnenwereld is onmogelijk. Uitingen (dagboeken, mondelinge bekentenissen, vrije associaties e.d.) over dat innerlijke leven brengen de waarnemer nog het dichst bij dat enerzijds zo bekende en anderzijds zo geheimzinnige studieobject. Maar hoe kijkt iemand tegen zijn eigen belevingen aan? Is dat niet al een ingewikkeld proces van zelfobjectivicatie waarin veel verloren gaat? De blik naar binnen als ervaringsgrondslag van de psychologie wordt daarom in de tweede helft van de 19de eeuw ook kritisch tegen het licht gehouden: hoe gebeurt dat en waarop is die gericht. Innerlijke waarneming, zo stelt Franz Brentano in 1874, moet worden onderscheiden van zelfobservatie; observeer je je eigen woede, dan gloeit die eigenlijk al niet meer en is als object van observatie verdwenen. Wat je dus direct innerlijk waarneemt kan niet -als het ware door jezelf- van buiten worden geobserveerd. Hij noemt het een algemeen geldige psychologische wet dat we onze aandacht nooit kunnen richten op het voorwerp van innerlijke waarneming. Maar waar is de psychologische aandacht dan op gericht?  Na het afscheid van de ziel werpt men een blik op psychische verschijnselen, samengevat als bewustzijn. Bewustzijn heeft twee kenmerken: het is intentioneel [*], op iets (denkbeeldig of werkelijk) gericht –je denkt over iets, je hoopt op iets, je verafschuwt iets etc,- en het stroomt. Bewustzijn ziet zichzelf niet als een opeenvolging van kleine stukjes of brokjes, maar als een continuiteit; het verglijdt zoals een rivier stroomt. Dat bewustzijn heeft nog iets heel speciaals: het is tegelijk ook bewustzijn van het bewustzijn zelf. Herinneringen, gevoelens, gedachten komen niet los voor, maar zijn altijd mijn herinneringen, mijn gevoelens en mijn gedachten. En wat is er niet allemaal van mij! Mijn been, mijn handschoen, mijn computer, mijn stem, mijn kinderen, mijn handschrift, mijn vrienden etc. Maar wie ben ik voor mijn vrienden, mijn kinderen, mijn buren, mijn bakker? Dit zijn allemaal spiegels waarin één of meerdere facetten van mij wordt weerkaatst, gefilterd door de verwachtingen van de sociale relatie waarin wij ons bevinden en de opmerkingsgave van de ander. Maar zoals ik mezelf ken, kent niemand mij! Dit psychologisch voorrecht is ons allemaal als ik gegund. Ik denk, ik verwacht, ik hoop, ik verafschuw, ik val flauw. En letten we vooral op dat ik en minder op het voorwerp waarvan ik mij bewust ben, dan komen kenmerken van de bewustzijnsstroom in beeld die een min of meer terugkerend karakter hebben: hoe ik tegen dingen aankijk, hoe ik iets zeg, hoe ik reageer op kritiek, hoe ik met vrienden omga, liefheb etc. Ik neem dat heel anders waar dan jij, maar dat er kenmerken zijn die terugkeren, dat valt ons beiden op. Maar ben ik wel zo doorzichtig voor mijzelf, ben ik mij bewust van alles wat er in mij omgaat? Eigenlijk een paradoxale vraag! Hoe kan ik mij bewust zijn van iets waarvan ik mij niet bewust ben? Ziet de ander dan toch meer dan ikzelf? De nachtmerrie van Henry Fuseli uit 1782

Het onbewuste

De 19de eeuw is gefascineerd door wat de keerzijde van de rede kan worden genoemd. Mesmerisme, magnetisme en hypnose baarden sinds 1777 opzien, wekten wantrouwen en werden als kermisattracties aangeboden. Pas aan het einde van de 19de eeuw krijgt hypnose in de handen van Charcot eerherstel als een instrument bij de bestudering van hysterie in Hôpital de la Salpêtrière in Parijs. Filosofen postuleren in deze eeuw de wil, het leven of het absoluut onbewuste als de dynamische kern van alle verschijnselen. Ook in de fysiologie en experimentele psychologie stuitte men op verschijnselen die het aannemelijk maakten dat bij waarneming onbewuste processen werkzaam zijn. De gewone psychologische waarneming zou prima kunnen worden beschreven als een proces van onbewuste gevolgtrekkingen die door rationele overwegingen nauwelijks zijn te corrigeren (b.v. de zon gaat onder terwijl we toch weten dat de zon niet om de aarde draait). In 1900 verschijnt het boek Die Traumdeutung, het boek waarin de geestelijke wereld definitief wordt uitgebreid met het onbewuste en de droom de via regia is waarlangs dit geestelijk domein kan worden betreden. Bij de viering van zijn 70ste verjaardag toont Freud zich bescheiden: “De dichters en filosofen voor mij hebben het onbewuste ontdekt. Wat ik heb ontdekt is de wetenschappelijke methode waarmee het onbewuste kan worden bestudeerd.”

Algemene en differentiële psychologie

Maar heeft de psychologie als wetenschap nog wel oog voor de individualiteit van het individu, voor datgene wat ieder mens uniek maakt? Wetenschap is geïnteresseerd in het algemene, zoekt naar wetmatigheden en ziet daarbij juist af van individuele variatie. De gravitatiewet van Newton beschrijft de aantrekking tussen massa’s en behandelt iedere massa als gecentreerd in één punt (en ziet dus af van de individuele vorm). Quetelet ontwikkelde in Belgie midden 19de eeuw een ‘sociale fysica’ waarbij l’homme moyenne dezelfde rol speelt als de puntmassa in de fysica[*]. Fechner beschrijft in zijn psychofysische wet -waar Ernst Heinrich Weber de basis voor heeft gelegd- de relatie tussen sterkte van de objectieve, fysieke prikkel en de subjectieve intensiteit van de zintuigelijke gewaarwording: de intensiteit neemt toe met het logaritme van de (energie van) prikkel. In experimenten bepaalt men het kleinste verschil dat proefpersonen tussen twee prikkels van verschillende energie kunnen waarnemen (differentiële waarnemingsdrempel) en voor de verschillende zintuigen wordt er nog een constante aan de formule toegevoegd. Maar zoals iedereen zich kan voorstellen is het bepaald niet gemakkelijk om bij zwakke of sterke prikkels vast te stellen of je het verschil echt waarneemt of het misschien inbeeldt. De beoordeling van de waarneming kan dan gemakkelijk worden beinvloed door kenmerken van de persoon of de situatie die niet zijn bedoeld door de onderzoeker (de sterkte van de prikkel en de intensiteit van de waarneming). Het zijn ‘spurious variables’ die de meting van het onderzochte verband op allerlei manieren kunnen verstoren. Wat te denken van reukgevoeligheid van een wijnliefhebber, het smaakvermogen van een kok, een overgevoeligheid voor licht of de rol die de leeftijd speelt bij allerlei vormen van zintuigelijke waarneming? Maar deze variatie -bron van ‘fouten’ in de algemene psychologie- is psychologisch gezien het bestuderen meer dan waard en aan het einde van de 19de eeuw wordt dit  dan ook het thema van een nieuwe richting in de psychologie: de individuele of differentiële psychologie. Maar hoe pak je dat aan? Eén van de grondleggers is, naast Francis Galton en Alfred Binet, William Stern die in 1900 zijn ideeën hierover publiceert in Über Psychologie der individuellen Differenzen.[*] De ontwikkelingen gaan daarna zo snel dat hij elf jaar later niet meer ideeën maar methodes centraal stelt in Die differentielle Psychologie in ihren methodischen Grundlagen (1911). Stern beschouwt de karakterologie, waaronder de klassieke leer van de temperamenten en de Seelenerfahrungskunde uit de 18de eeuw vallen, en de frenologie [*] van Gall als voorlopers van de differentiele psychologie. In de karakterkunde werden filosofische hypotheses over het wezen van de menselijke aard verbonden met ervaringen uit het dagelijkse leven of dilletantische zielsstudies. De differentiele psychologie gaat als wetenschap anders te werk. Zij zoekt algemeen geldende kenmerken, maar andere dan waar de algemene psychologie naar op zoek is. Er wordt gezocht naar de formele wetten van de variatie in psychische kenmerken en inhoudelijk naar de gesteldheid en de regulatieve functie van psychische varieteiten. En er zijn volgens Stern al heel wat disciplines die onder de differentiële psychologie vallen, luister maar mee: “Intelligenz- und Begabungsforschung, die Charakterforschung, die Untersuchung der Temperamente, der Gedächtnistypen, der Aufmerksamkeitstype uws., dann wieder die Psychologie des Genies, der Geschlechter, der Rassen; die Wissenschaft van den Abnormen und Unternormalen u.a.m.” Maar een dergelijke waaier aan onderzoeksgebieden daagt iedere wetenschapper uit een fundamentele classificatie te vinden en Stern stelt de volgende ordening voor:

  • de variatieleer; voorbeelden: geheugentypes, intelligentieniveaus, temperamenten, boven- en ondergrenzen voor ‘normaal’ functioneren
  • de psychografie; psychologische analyse van een auteur, beschrijving psychische toestand van een geesteszieke, vaststelling van persoonlijkheidskenmerken van iemand
  • de correlatieleer; samenhang tussen verschillende talenten, of verschillende intelligentietests tussen temperamentskenmerken en motivatiekenmerken
  • vergelijkende psychologie (comparatieleer): familieonderzoek

Van begin af aan is de differentiële psychologie een empirische en toegepaste wetenschap die zelfs niet meer terugschrikt voor wat tot dan toe als onmeetbare grootheden werden beschouwd. Galton publiceert in 1885 het artikel Measurement of Character waarin hij uiteenzet hoe met empirische meetmethoden de persoonlijkheid in kaart zou kunnen worden gebracht. Binet en Simon brengen in 1905 de eerste intelligentietest uit waarmee het ontwikkelingsniveau van kinderen kan worden vastgesteld en waarop een beslissing voor speciaal onderwijs kan worden gebaseerd. Stern is degene die voortbouwend op Binet-Simon in 1912 op de proppen komt met de term IQ –Intelligenz-Quotient: de mentale leeftijd/(natuurlijk) leeftijd *100.