Joseph Scaliger (1540-1609) was de zoon van de vermaarde Julius Caesar Scaliger (1484-1548). Na een soldatenbestaan en de nodige omzwervingen had Julius Caesar zich als arts gevestigd in het zuiden van Frankrijk. Hij had op het Europese continent veel respect afgedwongen met zijn wetenschappelijke werken en zijn Latijnse grammatica (De causis latinae linguae, 1540) , maar zijn twistzieke karakter had hem ook geregeld in conflict gebracht met tijdgenoten. Erasmus, die in zijn Ciceronianus de humanistische stijlpuristen op de hak had genomen, viel hij in 1531 bijvoorbeeld fel en nogal ongenuanceerd aan. Ook Giralomo Cardano, die in zijn De subtilitate (1550/1554), flirtend met occulte kennisbronnen, morrelde aan het klassieke aristotelische wereldbeeld, diende hij van repliek in Exotericae exercitationes de subtilitate (1557). Punt voor punt besprak en weerlegde hij, begeleid met honend commentaar, Cardano’s beweringen vanuit een traditionele, neo-aristotelische zienswijze.

In 1529 was Julius Scaliger in het huwelijk getreden met Andietta de Roques Lobieca, een zestienjarig meisje van goede komaf. Het paar vestigde zich in Agens, een plaats aan de Garonne, ruim honderd kilometer van Bordeaux. Op 5 augustus 1540 bracht zij Joseph ter wereld, het tiende van in totaal vijftien kinderen die het paar kreeg. Vader Scaliger vertelde zoonlief dat zij afstamden van italiaanse adel, van het geslacht della Scala uit Verona. Joseph Scaliger heeft zelf nooit aan getwijfeld aan de juistheid van deze versie van hun afstamming; later is aangetoond dat het allemaal verzonnen was.1Julius Caesar Scaligers vader was de italiaan Benoît Bordoni, van beroep miniatuurschilder

Op elfjarige leeftijd werd Joseph naar Bordeaux gestuurd voor een gedegen humanistische opleiding aan het in 1531 gestichte College de Guyenne, dat onder leiding van André de Gouveia in korte tijd een uitstekende reputatie had opgebouwd. Door de uitbraak van een pestepidemie kon hij zijn opleiding er niet afmaken; Joseph en zijn twee broers verlieten na drie jaar het college en Julius Scaliger nam het onderwijs aan zijn zoons over. Als een van de meest vruchtbare en breedgeorienteerde geleerden 2Dat voor deze encyclopedische geleerheid later minder waardering bestond laat Immanuel Kant beeldend weten: — Es gibt aber auch gigantische Gelehrsamkeit, die doch oft zyklopisch ist, der nämlich ein Auge fehlt: nämlich das der wahren Philosophie, um diese Menge des historischen Wissens, die Fracht von hundert Kamelen, durch die Vernunft zweckmäßig zu benutzen. I. Kant, Anthropologie in pragmatischer Hinsicht, blz. 226 van zijn tijd moet hij daar ongetwijfeld geen problemen mee gehad hebben. De oude Scaliger, die hem ook enig secretariaatswerk liet doen, zal aangenaam verrast zijn geweest over de originele verfraaiingen waarmee zijn zoon de gedicteerde teksten soms voorzag. Zoonlief leek over dezelfde talenten te beschikken die zijn vader aan de top van het Europese humanisme had gebracht.

In 1558 overleed Julius Scalger en Joseph ging naar Parijs om zijn studie Latijn voort te zetten. Waarschijnlijk studeerde hij bij vermaarde classicisten en filologen als Turnebus, Marc-Antoine Muret en Jean Dorat, allen docenten aan het Collège Royale, de voorloper van het huidige Collège de France. De Pleiade dichters, die de Griekse en Romeinse voorbeelden in het Frans nieuw leven inbliezen, hebben veel aan deze geleerden te danken.
Maar anders dan zijn vader, die het Latijn boven het Grieks had gesteld, pakte Joseph ook het Grieks op. In 1560 kreeg hij een kopie in handen van het werk van Euripdes en uit de uit de vele annotaties blijkt dat hij in tamelijk korte tijd een uitstekende kennis over het Grieks en allerhande versvormen had verworven. Door het toeval schijnt hij zich rond 1562 ook op het Hebreeuws te hebben gestort. Scaliger verbleef toen bij een boekhandelaar, waar hij een kamer en bed deelde met cabalist Guillaume Postel. Die zou hem hebben aangeraden om zich toe te leggen op Hebreeuws, Arameens en Syrisch: talen waar nog veel geheimen in verborgen waren en waar nog maar weinig van was vertaald. Postel werd kort na hun ontmoetting gearresteerd op verdenking van ketterij en opgesloten in een klooster. Scaliger was dus op zichzelf aangewezen en ging volgens zijn typerende methode te werk: lees de klassieke tekst, in dit geval de Bijbel, tot je hem helemaal begrijpt en snapt hoe de taal werkt.

Door zijn Griekse vertalingen van Latijnse gedichten wist de jonge Scaliger de aandacht op zich te vestigen. Zijn vermogen om tekstverminkingen op het spoort te komen en gissend verbeterde versies voort te brengen werd snel herkend en hij slaagde erin goede relaties op te bouwen met zijn leermeesters, vooral Jean Dorat en met studiegenoten zoals Willem Canter. Nog maar begin twintig verkeerde hij rond 1563 al in de beste humanistische kringen van Parijs en hielp anderen hun uitgaves van klassieke auteurs.

In 1562 bekeerde Scaliger zich tot het protestantisme. Dat vormde echter geen beletsel om in 1563 op suggestie van Jean Dorat in dienst te treden bij de katholieke aristocraat, diplomaat en militair Louis Chasteigner, seigneur d’Abain en La Roche Posay, baron van Preuilly.3François Viète, even oud als Scaliger en katholiek, deed precies het omgekeerde: hij trad in 1564 in dienst van de vooraanstaande prostestantse familie Soubise. In deze periode sloeg ook het sluimerende conflict tussen katholieken, onder aanvoering van de familie Guise, en protestanten onder leiding van admiraal Gaspard de Coligny om een in een openlijke strijd. De jonge en ziekelijke troonopvolgers van Hendrik II bleken niet in staat om samen met hun moeder en regentes Catherina de Medici de partijen in bedwang houden. Pas aan het einde van de 16de eeuw lukte het Hendrik IV om een eind te maken aan deze religieuze strijd. Chasteigner de La Roche-Posay deed actief mee in het katholieke kamp, maar dit schijnt de relatie tussen de legeraanvoerder en de geleerde niet te hebben vertroebeld. Niet lang na zijn indiensttreding presenteerde Scaliger in 1564 zijn visitekaartje: Coniectanea on Varro De lingua latina. Het is een tekstkritische editie met uitgebreid commentaar waarin Scaliger zijn bijzondere gave etaleerde om gissend, tastend en redenerend oude teksten te reconstrueren. In het voorwoord beweerde hij dat hij nog veel meer werken in voorbereiding had, maar dit nu publiceerde uit dankbaarheid aan Louis Chasteigner waaraan het werk was opgedragen.

Toen Chasteigner in 1565 voor twee jaar op diplomatieke missie naar Italië ging, nam hij Scaliger mee in zijn gevolg. Van de taalvaardige Scaliger werd verwacht dat hij met Chastenier klassieke Griekse en Latijnse teksten zou lezen en bespreken. Er bleef echter genoeg tijd over om in Italië andere geleerden te ontmoeten, bibliotheken te bezoeken en antieke monumenten te bezichtigen. Scaliger verbleef graag in de Joodse gemeenschappen in Mantua of Ferrara waar hij zijn gastheren verbaasde met Hebreeuws dat regelrecht uit de Bijbelse leek te komen.
Na een terugkeer via Schotland en Engeland begon Scaliger in Parijs met nieuwe tekstedities. De religieuse strijd laaide evenwel weer op en voor Scaliger brak er een moeilijke periode aan. Hij verloor zijn bezittingen in Agens die zijn vader hem had nagelaten en hij schijnt ook zelf de wapens ter hand te hebben genomen.

Toen in 1570 de religieuse storm weer even tot bedaren was gekomen ging Scaliger naar Valence, zo’n 100 km ten zuiden van Lyon. Aan de plaatselijke universiteit doceerde Jacques Cajus (1522-1590), een vermaard rechtsgeleerde die het Romeins recht aan de vergetelheid probeerde te ontrukken en antieke juridische teksten hun oude luister wilde teruggeven. Het werd voor Scaliger een vruchtbaar verblijf waarbij hij veel opstak over het Romeins recht.

Belangrijk voor zijn ontwikkeling als filoloog was dat hij hier van dichtbij kon zien hoe Cajus te werk ging bij zijn historisch onderzoek naar het juridische opus van Sextus Caecilius Africanus.4In Cujas, Scaliger found someone who shared his taste for and competence in the most exacting technical studies, who matched his virtuosity as a textual critic, and who could introduce him to a vast new field of historical and antiquarin research with which he had – so far as our evidence goes – previously had little acquaintance.
Grafton, A., Joseph Scaliger, Bd. 1, blz. 122
. Verder beschikte Cajus over een uitstekende collectie handschriften en had hij een fijngesponnen netwerk van contacten over heel Euorpa. Als er er nieuwe manuscripten opdoken of nieuwe tekstversies werden ontdekt was Cajus er meestal snel van op de hoogte.
Cajus trok veel studenten aan en hier kon Scaliger vriendschappen smeden die voor zijn ontwikkeling van grote betekenis zijn geweest. Zo ontmoette hij er bijvoorbeeld Jacques Auguste de Thou, historicus en later voorzitter van het Parlement van Parijs; hij zou er zijn hele leven bevriend mee blijven. De Thou was één van de vertegenwoordigers van de noblesse de robe longue, de ambtsadel, waarmee Scaliger de beste persoonlijke relaties zou opbouwen.

In 1572 nam Scaligers leven opnieuw een andere wending. Cajus was gevraagd deel te nemen aan een diplomatieke missie om de troon van Polen voor de hertog van Anjou te winnen en hij haalde Scaliger over om mee te gaan. Samen gingen ze via Lyon op weg naar Straatsburg. Toen Scaliger in Straatsburg hoorde van het bloedige vervolg op de bruiloft van Hendrik van Navarra en Margaretha van Valois -de Bartholomeusnacht- vertrok hij spoorslags naar Genève. Begin september werd hij burger van Genève en eind oktober werd hij er benoemd tot professor in de filosofie. Scaliger bleek echter geen begenadigd docent en zijn hekel aan openbare colleges uitte zich voornamelijk in veel ziekmeldingen. Ondertussen ging hij wel door met kritische uitgaves en commentaren op antieke teksten, waarin de invloed van Cajus’ methode steeds zichtbaarder werd. In Ausonianae lectiones probeerde Scaliger de geografische en culturele context van het werk van deze gallische Romein aan de vergetelheid te ontrukken. Zijn eerste grote tekstkritische succes werd De verborum significatu van Festus, een zwaar verminkte, verkorte versie van het gelijkname, zeer omvangrijke, werk van Verrius Flaccus, een beroemde kenner van de Latijnse taal ten tijde van Augustus. De tekstvermoedens waarmee Scaliger de tekst weer zijn oorpsronkelijke structuur had teruggegeven vonden velen adembenemend origineel. Sommigen, waaronder Vossius, konden hun ogen bijna niet geloven en vroegen zich openlijk af of Scaliger gebruik had gemaakt van een nog onbekend manuscipt om alle gaten op te vullen.

Na een verblijf van ongeveer anderhalf jaar in Genève keerde Scaliger terug naar Frankrijk. Hij verbleef meestal op een van de bezittingen in de Poitou van zijn beschermheer Chasteigner, die zelf als ambassadeur bij de Paus in Rome verbleef. In 1577 verlegde Scaliger opnieuw zijn tekstkritische interesse, ditmaal in de richting van de (natuur)wetenschappen. Hij verzorgde samen met François de Saint-Vertunien, de arts van Chasteigner, een vertaling van Hippocrates’ Over hoofdwonden. Dat Scaliger niet bang was dat zijn gemis aan medische kennis afbreuk zou doen aan zijn vertaling en commentaar blijkt uit een brief aan Vertunien die Grafton parafraseert.5Grafton, A., Joseph Scaliger, Bd. 1, blz. 181

The critic, he claimed, could do much to heal the wounds of a text, even if he had not been trained in the technical skills it treated: Nam sola Critice sine Anatomia rem transegerit. Anyone who ·denied Scaliger’s contentions must be ‘thick as a post’; even a mediocris grammaticus would see the validity of his diagnosis.

De doctores in de geneeskunde aan de Sorbonne in Parijs waren minder gecharmeerd van deze vertaling en Scaligers uitstapje naar de geneeskunde.6it was itself a blow to the head of the medical profession. It was a manifesto that proclaimed that the doctors did not know how to interpret the authoritative classical texts on which their claims to professional authority rested.
Grafton, A., Joseph Scaliger, Bd. 1, blz. 182
Maar ondanks al hun kritiek bleek dat Scaliger beschikte over een tekstbegrip waarop de professionele artsen jaloers konden zijn; zijn interpretaties en reconstructies van de klassieke wetenschappelijke teksten waren gewoonweg beter dan die van de (vak)wetenschappers. Misschien aangemoedigd door dit succes kwam hij op het idee om een tekst die hij al in Genève op het spoor was gekomen, opnieuw uit de brengen: de Astronomica van Manilius. Want wat voor artsen gold, was volgens Scaliger ook van toepassing op astrologen/astronomen en wiskundigen: “Ik weet”, schreef hij in een brief, “dat er momenteel grote astrologen en mathematici zijn in Frankrijk. Maar ik weet zeker dat zij zich lang het hoofd zullen breken over de betekenis van deze moeilijke passages van Manilius.”7Grafton, A., Joseph Scaliger, Bd. 1, blz. 184
In 1579 verscheen de door Scaliger sterk verbeterde Astronomica, voorzien van een uitgebreid commentaar. Het lijkt erop dat het Scaliger bij dit werk niet alleen de tekst in zijn oorspronkelijke staat wilde terugbrengen, maar tegelijk een overzicht wilde geven van de antieke astronomie. Grafton is van mening dat Scaliger bij deze uitgave op zijn best was: vindingrijk en meestal met veel aandacht voor de details van de tekst voor hem. In zijn commentaar schrok Scaliger er ook niet voor terug Manilius de les te lezen: “op grond hiervan is het meer dan duidelijk dat wat we al zo vaak hebben gezegd, waar is: Manilius had absoluut geen verstand van het onderwerp waarover hij schreef”. Maar dat belette Scaliger niet om zelf ook de nodige missers te maken. Niettemin maakte het werk toch zoveel indruk dat de Franse koning besloot Scaliger er een jaargeld van 2000 francs voor te geven (dat, naar het schijnt, nooit is uitbetaald).8D. Bierens de Haan, Bouwstoffen voor de geschiedenis der wis- en natuurkundige wetenschappen in de Nederlanden

Het werk dat Scaliger verrichte voor zijn Manilius paste goed in het project waarvoor hij toen voorzichtig de eerste stapjes zette en dat in 1583 zijn roem defintief zou vestigen: Opus novum de emendatione temporum. Het werk aan dit boek over de tijdrekening werd echter doorkruist door een onvoorziene gebeurtenis. In 1582 had namelijk paus Gregorius XIII de bul Inter gravissimas (1582) uitgevaardigd waarin de Juliaanse kalender werd vervangen door een, vooral in katholieke ogen, verbeterde versie. Het denkwerk voor de nieuwe kalender was afkomstig van de napolitaan Aloisius Lilius. Omdat die in 1576 was overleden werd de concrete uitwerking en invoering van de nieuwe kalender in handen gelegd van de mathematicus en jezuïet Christoph Clavius. De praktische gevolgen waren groot, want de invoering van de nieuwe kalender resulteerde in een tijdverschuiving van niet minder dan tien dagen: vrijdag 15 oktober 1582 volgde op donderdag 4 oktober 1582. Door deze aanpassing begon de lente elk jaar weer exact op 21 maart. De invoering van de kalender stuitte in protestantse kringen op veel weerstand. Ook Scaliger wijdde enkele kritische passages aan de tijdrekening die Lilius had voorgesteld en na de pauselijke bul de grondslag vormde voor de Gregoriaanse kalender. Veel later, als hij al in Holland verblijft, zou Scaliger opnieuw zijn steentje bijdragen aan de polemiek die was ontstaan over deze nieuwe kalender.
De inhoud van De emendatione werk is van een adembenemende omvang 9Grafton, A., Defenders of text, blz.120

The first four books deal with the principal calendars, ancient and modern, solar and lunar. The fifth and sixth establish the most important dates from the Creation to rather more recent times. The seventh presents texts and trans­lations of medieval Jewish, Ethiopian, and Byzantine treatises on the calendar, known as computuses. The eighth, which Scaliger introduces as the natural culmination of the rest, explains the bear­ing of Scaliger’s researches on calendar reform in his own time. Throughout Scaliger takes great pains to emphasize that he has explored and mapped an unknown territory.

Het bijzondere van De emendatione was dat Scaliger er een samensmelting in bood van afzonderlijke disciplines, een verbinding van tekstuele, astronomische en mathematische kennis, 10In his willingness and ability to fuse astronomy, Oriental studies, and classical philology, Scaliger had no predecessor. In fact, by doing so he himself became the model after which the polyhistors of the next century and more tried to shape themselves. Grafton, A., Defenders of text, blz.139 Daarbij was hij er ook in geslaagd alle elementen die hij had gebruikt extra betekenis te geven door ze te plaatsen in zijn overkoepelende samenhang. Daarvoor hij kon putten uit zijn inmiddels enorme kennis over antieke bronnen, maar op dit min of meer nieuwe terrein voor hem moest hij zich veel van de technische literatuur van de computus nog eigen maken en ook zijn astromische kennis moest nog aanzienlijke worden uitgebouwd. Maar ook contemporain werk ontging Scaliger niet, zeker niet als het een bron van informatie en inzichten was die voor zijn eigen doeleinden -zonder verwijzingen- prima kon gebruiken. Zo’n werkje was Paulus Crusius’ De epochis. Het boek van deze historicus en wiskundige aan de universiteit van Jena was posthuum in 1578 verschenen. Met deze bron van informatie bij de hand schreef hij boek vijf en zes waarin de chronologie van de grote historische gebeurtenissen wordt gegeven. Dan valt meteen een verschil op met zijn voorgangers: bij Scaliger vind je nauwelijks astrologisch of numerologisch speculatie over over de zin van het geschiedverloop of wat er nog allemaal zou kunnen komen. Hij liet het bij voorkeur over aan filosofen om over de zin en het wezen van de tijd na te denken. Één van de redenen van deze voorkeur voor feiten boven speculaties zou, volgens Anthony Grafton, gelegen kunnen zijn in de chaotische omstandigheden waarin de religieuse twisten Europa hadden gestort.

His closest friends, the jurists de Thou and Dupuy, reacted to religious war and the dissolution of society by turning to honest scholarship and accurate history. In the compiling of data, rather than the forging of an ideology, they found an escape from chaos if not a way to reduce it to order.

Sinds zijn terugkeer naar Frankrijk in 1573 was Scaliger onderdeel van het huishouden van de Chastenier. Zonder academische verplichtingen kon hij al zijn energie steken in de opbouw van zijn ongeevenaarde kennis van de klassieke teksten waarmee hij het fundament legde voor werken als De emendatione. Over de periode na het verschijnen van dit werk tot aan zijn vertrek naar Leiden in 1592 is niet veel bekend. De oplaaiende strijd tussen hugenoten en katholieken en de chronische politieke onrust die de tweede helft van de tachtiger jaren tekenden, zijn ook aan Scaliger niet voorbij gegaan. Zijn vrienden bij het Parlement van Parijs waren uit de stad verdreven en zelf zag hij zich veroordeeld tot een wisselend verblijf op meerdere van de kleine kastelen van de familie de Chastenier rond Poitiers.  Veel tijd om te studeren heeft hij in zijn ogen niet gehad.  Als afleiding van van de heeft hij vermoedelijk veel tijd besteed hebben aan de verzameling van materiaal voor de sterk verbeterde heruitgaves in Leiden van ondermeer zijn Manilius en Emendatione. En hij zal zich, zo mogen we gerust aannemen, op weer een nieuw terrein hebben begeven: dat van de wiskunde.

Als Justius Lipsius de nog jonge unversiteit van Leiden in 1590 vaarwel zegt, is dat een groot verlies. Veel werken, waaronder De Constantia, had Lipsius in Leiden geschreven, waardoor zijn roem en het aanzien van de universiteit aanzienlijk waren toegenomen. Maar zijn laatste Leidense werk, Politicorum sive civilis doctrinae libri sex, waarin hij pleitte voor de confessionele uniformiteit van de staat en de plicht van de vorst de uitoefening van andere religies te onderdrukken, leverde hem zoveel kritiek op, dat hij het raadzaam achtte de universiteit te verlaten. Zijn zwakke gezondheid bood een prima aanleiding om met geheven hoofd afscheid te nemen.
Om de leeggevallen plaats op te vullen viel het oog van de leidense curatoren op Scaliger. Die verbleef in Preuilly-sur-Claise, ongeveer 80 km ten zuiden van Tours, op een van de kastelen van de Chasternier en kon zich ongestoord en onbezorgd aan de klassieke filologie wijden. In 1593, na meerdere verzoeken te hebben afgewimpeld, stemde Scaliger in met een professoraat in Leiden op voorwaarde dat hij geen openbare colleges hoefde te geven en tegen een voor die tijd meer dan vorstelijk salaris van 1200 gulden en een jaarlijkse gratificatie van 800 gulden van de Staten 11Grootens, P.L.M., Dominicus Baudius, 1942, blz. 70 -ook schijnt zijn claim van Vernose adel af te stammen erkend te zijn.

Bibliotheek Leiden

Na een wat stroef begin vond Scaliger snel zijn draai in Leiden -tussen Amsterdam en Den Haag- en hij wist een selecte groep toegewijde leerlingen om zich te verzamelen, waaronder de rechtsgeleerde Hugo de Groot, de cartograaf Cluverius en de classicist Heinsius. Leiden had een uitstekende bibliotheek en in Franciscus Raphelengius, schoonzoon van Antwerpse boekdrukker en uitgever Christoffel Plantijn, een drukker van formaat. Scaliger was blijkbaar tevreden met wat de Leidse universiteit en het leven in het Noorden te bieden had, want hij droeg twee in 1594 verschenen werken, Cyclometrica Elementa duo 12Elementen van de cirkelmeting en Mesolabium, op aan respectivelijk de staten van Holland, West Friesland en Zeeland en de Leidse universiteit. De werken waren prachtig uitgevoerd en in twee kleuren gedrukt. De definities en theorema’s waren gesteld in het Grieks met Latijnse vertalingen en de bewijzen waren in het Latijn. Kosten noch moeite leken bespaard om deze kroon op Scaligers werk, de prins der letteren in de woorden van Daniël Heinsius, te laten schitteren.

De ontvangst van zijn Cyclometrica Elementa duo was voor Scaliger echter een bittere teleurstelling. Opnieuw had hij zijn werkterrein uitgebreid naar een gebied waarop anderen hem een dilettant vonden, in dit geval de wiskunde. Maar anders dan bij teksuitleg en tekstverbeteringen, zijn bekende werkterrein, ging het nu niet om tekstverbeteringen of nieuwe interpretaties, maar om de oplossing van de eeuwenoude wiskundige problemen: de verdubbeling van de kubus in Mesolabium en de kwadratuur van de cirkel in de Cyclometrica. Dat hij de werken publiceerde was ook opmerkelijk omdat Scaliger al voor zijn komst naar Leiden erop gewezen was dat hij er wiskundig flink naast zat. Hij besefte blijkbaar niet dat zijn autoriteit als filoloog en chronoloog onder wiskundigen niet gold. Het commentaar op het verschenen werk was dan ook vernietigend, maar Scaliger gaf geen kriimp. Later, in lovende terugblikken, werd liever stilletjes aan deze episode voorbij gegaan. In Heinsius grafrede op Scaliger worden zijn wiskundige werken niet genoemd en in zijn uitgave, in 1626, de brieven van Scaliger had hij overal waar er sprake was van de Cyclometrica, de naam keurig vervangen door sterretjes.
Wat had zich allemaal afgespeeld en wat maakte dit werk tot zo’n wetenschappelijk echec voor iemand die kritiek gewend was?